zaterdag 11 mei 2013

Schetsen en Humor 035

hoofdstuk 2- Marineschetsen na Nederlands onafhakelijkheid.
Dat was in Kroonstad. De officieren van het Nederlandsche linieschip werden met Prins Hendrik uitgenoodigd om ten hove bij den Keizer het middagmaal te gebruiken, „een uitstekende eer", zoo vertelde de schrijver, „welke zelden aan officieren beneden den rang van hoofdofficier te beurt valt." Ze troffen het echter slecht, want door tal van omstandigheden kwamen ze halverwege het middagmaal ten hove.
Er werd echter een afzonderlijke tafel voor hen geserveerd, doch juist toen zij deze alle eer zouden aandoen, werden ze door den Keizer aan de hoofdtafel genoodigd. Toen zij zich daar te goed zouden doen aan de resten, stond de Keizer op en verlieten de vorstelijke personen de zaal, hetgeen door alle aanwezigen werd nagevolgd. Den volgenden dag kwam er een uitnoodiging aan boord voor de matrozen van de ,,Leeuw" en de ,,Snelheid". Drie honderd vijftig man begaven zich daar voor naar den wal ,,wordende wijders", zoo vertelde de schrijver, „eenige officieren en een adelborst voor de politie met een officier van gezondheid medegegeven, waarbij, behalve deze nog twee officieren te gast werden genoodigd.
„Toen onze zeelieden met de stoomboot te Kroonstad landden, werden zij door de russische matrozen verwelkomd en naar den tuin van den opperbevelhebber der vesting gebragt, alwaar onder twee naast elkander staande houten tenten lange tafels gereed gemaakt stonden, waar aan zij allen plaats namen. Voor de officieren stond onder een linnen tent een uitmuntende koude maaltijd gereed, terwijl onder eene andere de muzijk van een der schepen zich Lustig liet hooren.
Het eetmaal der matrozen bestond uit soep, vleesch, groente en aardappelen; op het nageregt waren vruchten, amandelen en rozijnen, doch het geen den gasten het meest beviel, was een overvloed van wijn, welke, zoo ik meen, uit Teneriff of Kaapsche wijnen bestond.
Ofschoon het gesprek niet zeer vlot ging, daar zij elkander niet verstaan konden, was de vreugde niet te min algemeen; er werden door die ruwe gasten verscheidene toasten ingesteld als : onze Koning, Keizer Nicolaas, benevens de geslachten der beide Souvereinen enz., de vreugde werd hoe langer hoe luidruchtiger, zoo dat eindelijk hooren en zien verging.
De russische zee-officieren spreken meestal fransch, engelsch of hoogduitsch, de beide eerste talen echter gebrekkig; onder hen bevond zich de Graaf van Heyde. Deze admiraal, een geboren nederlander, schepte veel vermaak in de ruwe, doch ronde openhartigheid en gulle vreugde dezer halfbeschonken zeelieden; zij stelden ook prijs op zijne tegenwoordigheid, want men hoorde onze matrozen telkens schreeuwen : „op de gezondheid van admiraal van Heyde".
Kortom, het was met ronde woorden gezegd, een regt wilde boêl. Eindelijk bragt men hen in het naast aangelegen park, een vrij groot bosch, hetwelk aan de regeering behoort; hier werd nu geloopen, geworsteld, gedanst en gesprongen, men presenteerde hen sigaren en de wijn werd niet vergeten: de muzijk speelde in het bosch en men zag weldra allerlei grappige vertooningen van beschonken menschen.
Te zes uren en later, lagen er hier en daar reeds eenigen op den grond te slapen, anderen liepen waggelend rond, slaande allerlei zotte taal uit; sommigen kwamen mij zeer ernstig in groot vertrouwen vertellen, dat zij belangrijke liefdes overwinningen gemaakt hadden, één hunner kwam met de tranen in de oogen mij vragen, of ik het niet kwalijk nam, dat hij zoo veel plaisier had enz.
Hetgeen het belagchelijke van dit tooneel nog vermeerderde, was, dat zij zonder elkanderen te verstaan, even zoo ernstig te zamen spraken, als of zij de belangrijkste zaken verhandelden. Men was voornemens hen 's avonds wel naar boord terug te brengen, het geen door het opsteken van den wind ondoenlijk werd; het was dus voor ons geen aangenaam vooruitzigt, om zulk een aantal beschonken lieden den ganschen nacht in toom te houden, een werk, waar wij zeer tegen op zagen.
Zij kregen een ledige kazerne tot nachtverblijf, waar wij hen met veel moeite in kregen, en niet tegenstaande er een officier, een adelborst en eenige onder- officieren tot opzigt bij hen bleven, wisten sommigen echter er uit te komen, en dwaalden gedurende den geheelen nacht de stad rond; er heeft nogtans geene wanorde van belang plaats gehad.
Het woei des anderen daags 's morgens vroeg nog even hard; niet te min zouden wij trachten weder ons boord te bereiken: zoo goed mogelijk werd dus ons volk ten acht ure verzameld; die nog niet ontnuchterd waren of liever die des nachts met drinken in de kroegen aangehouden hadden, kregen wij met veel moeite uit dezelve aan boord der stoomboot, het geen nogtans niet ging zonder den een of ander bij den kraag er uit te sleepen. Inmiddels stak de wind meer en meer op, wij bleven dus op beter weder wachten, tot dat eindelijk de kommandant der stoomboot verklaarde, dat hij niet varen kon, en wij weder moesten ontschepen.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :