woensdag 8 mei 2013

Schetsen en Humor 031

hoofdstuk 2- Marineschetsen na Nederlands onafhakelijkheid.
M'n heele literaire plunjezak heb ik leeggeschud om iets te vinden uit den eersten tijd van het herstel van Neêrlands onafhankelijkheid, dat tot marineschetsen gerekend kon worden. Daar sta je misschien verbaasd van te kijken ? 'n Matroos met 'n literairen plunjezak ! Toen ik in 1916 met een marinetransport aan boord van het vrachtschip ,,Karimata" via Schotland naar Indië ging, behoorden tot mijn ,bagage" twee kisten met boeken. Een prachtverzameling, al zeg ik 't zelf, waarvoor ik jarenlang van m'n armzalig tractementje - ik verdiende toen als matroos nauwelijks zes gulden per week - gespaard had.
Ik heb uit die beginperiode van het Koninkrijk der Nederlanden zoo goed als niets gevonden, dat men marineschetsen noemen kan. Toch was er zoo omstreeks 1815-1830 een bloeitijd voor de letteren". De marine echter was zonder eenige beteekenis geworden. Negen linieschepen en vier fregatten met een overschot aan personeel, commandanten, officieren en matrozen incluis, nauwelijks 150 man tellende, vormden den grondslag voor de nieuw te vormen marine.
De letterkundigen stonden natuurlijk mijlen ver boven een dergelijk restant van de eens zoo roemruchtige weermacht ter zee. Ze waren trouwens de dragers van een nieuwen tijd geworden en hadden wel wat anders aan hun hoofd dan om zich in hun roerigen en rumoerigen strijd met simpele marineschetsen bezig te houden. En toen Bogaers in 1835 met zijn ,,De togt van Heemskerk naar Gibraltar in 1607" voor den dag kwam, was het oude kost en niet in staat de aandacht op de marine te vestigen, noch belangstelling er voor op te wekken.
Stel je voor, dat de schrijvers van dien tijd, en een Tollens, een Ter Haar, een Bilderdijk, schrijvers van marineschetsen waren ! De gedachte alleen is een mop — een marinemop — op zichzelf. Dus zocht ik onder de oude reisverhalen van de marine zelf. Maar de marine, tot zoo ongeveer 1830, had heel wat met zich zelf te stellen gehad. Toen de Franschen verdwenen waren, herademden de oude getrouwe,marinemannen, die geweigerd hadden in Franschen dienst te gaan of zelfs aan de Bataafsche marine hun diensten beschikbaar te stellen. Achttien jaren hadden ze hun kans afgewacht en in 1813 meldden zij zich weer ,,present".
Anderen hadden het met de nieuwe orde op een accoordje gegooid en waren gebleven; een groot deel was in het buitenland, met name in Engeland, verzameld op het Prinseneskader. Zoo vertoonde de herboren marine van omstreeks 1815-1825 een samenvoeging van de meest uiteenloopende en in verschillende omstandigheden gevormde karakters, waarbij de oude tijd met den nieuwe in botsing kwam en de Oranjeklanten dikwijls vergeefs de bindende saamhoorigheid trachtten te vormen. Disciplinair gesproken kwam het dus wel eens tot botsingen.
Ik vond daarvan een sterk staaltje in een gedrukt verslag van het Hoog Militair Gerechtshof van het Koninkrijk der Nederlanden, gewezen in de zaak van Justus Hendrik Pfeil, kapitein-luitenant ter zee, den 24 November 1820, contra den kapitein ter zee Willem Hendrik van Senden. Deze was commandant aan boord van Zr. Ms. „Prins Frederik" in 1816-1819 op een uit- en thuisreis naar Oost-Indië en Pfeil was zijn eerste officier.
Van Senden was een gematigde vaderlander, die veelal naar omstandigheden handelde; Pfeil was een vurig Oranjeklant en speelde een belangrijke rol in de omwenteling van 1813. Herhaaldelijk botsten beide karakters van commandant en eersten officier, waarbij nog kwam, dat de reis met dit schip een reeks van tegenslagen gaf. Tijdens een van die moeilijkheden — het schip was in een onvoorzienen storm geraakt —kwam het wederom tot een conflict.
De eerste officier had zich naar ,,vooruit" begeven om leiding op 't voorschip te geven en de commandant, te laat aan dek komende, schreeuwde hem toe : „Waar zijt gij geweest, mijnheer ? — Ik heb U den ganschen tijd niet gezien. Gij zijt beneden geweest en laat mij voor den boel optornen. De schade, die wij gehad hebben is uwe schuld," waarop gedaagde — ik citeer het verslag van het Hoog Militair Gerechtshof -- echter koel ten antwoord gaf: „Mijnheer, ik kom van voren; dáár heb ik den boel geredderd"; maar dat de kapitein in eenen adem voortvoer, zeggende :
,,Ziet gij niet, dat de riftalie voor onklaar is?" — waarop hij, gedaagde had geantwoord: ,Neen Mijnheer ! dat is niet onklaar, dat schijnt U maar zoo toe," en de kapitein: ,Het is wel waar. Gij zijt een windbuil — een leven- en oproermaker !" Waarop gedaagde vroeg : „Spreek gij tegens mij, mijnheer ?" en de kapitein antwoordde : ja, gij zijt een weetniet en alleen goed om den boel in confusie te brengen; gij weet er geen donder van ! Ga naar Uw hut !" aan welk bevel gedaagde had voldaan.
Waarmede ik maar zeggen wil, tat men in een dergelijke steer weinig schrijvers van marineschetsen onder de marinemannen kon verwachten. Over 't algemeen is, wat uit dien tijd in boekvorm verscheen, nog geheel gehouden in den stijl van reisverslagen of scheepsjournalen. Een uitzondering daarop maakte een ongenoemde schrijver, die als officier geplaatst was aan boord van het linieschip -De Zeeuw" in 1834.
Van zijn hand verscheen een „Dag-Verhaal eener reize gedaan met Z.M. Linie Schip „De Zeeuw", aan boord hebbende Z.K.H. Prins Hendrik, derden Zoon van den Prins van Oranje, naar de Noordsche Hoven & Engeland in den zomer van het jaar 1834," gedrukt te Utrecht bij N. van der Monde in 1835. Ik cieer daaruit weer enkele gedeelten :
HM. Zeeuw „Sedert eenige dagen lagen het linieschip „De Zeeuw" en de brik „de Snelheid- zeilree bestemd om den derden zoon van den Prins van Oranje aan deszelfs boord te ontvangen en de reize naar Petersburg en verdere noordsche havens met den jongen Vorst aan te nemen, ten einde denzelven in de gelegenheid te stellen om als Adelborst der eerste klasse zich meer en meer in de zeevaartkunde bekwaam te maken.
Op den 20 Mei 1834 kwam er voor beider scheepsvolk bevel, om zich in groote montering te kleeden; het dek werd opgeruimd en er werd niet gewerkt, zijnde dit alles ter eere van Prins Frederik der Nederlanden, die dien dag aan boord gewacht werd. Ten gevolge daarvan zagen wij dan ook reeds in den loop van den voormiddag de vorstelijke sloep, uit het Nieuwe Diep komende, ons naderen, waarop Z.K.H uit onze onderste batterij met een salut van 21 schoten begroet werd.
Kort daarna kwam de vorst aan boord, mede brengende Prins Hendrik, Adelborst der eerste klasse, zijnde verder vergezeld van den schout-bij-nacht Ziervogel, de adjudanten van Prins Frederik, benevens den kapitein ter zee Arriens, gouverneur van den jongen Vorst en verder gevolg. Alles tot den ontvangst dier hooge personen gereed zijnde, speelde de muzijk, de mariniers stonden onder de wapenen, de matrozen paradeerden in het wand, en de officieren waren aan de valreep gerangschikt.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :