woensdag 23 mei 2012

Matroos Vandersteng 032

Marine abc vervolgH
Haaienhoek.
De geus als Een haak (hoek) met kettingeind, speciaal voor de haaienvangst, is aan boord van elk schip, althans zeker aan boord van een schip, dat buitenlandsche reizen, in het bijzonder naar Oost- en West-Indie, maakt. De haaienvangst blijft altijd een bijzondere gebeurtenis. De staart van de gevangen haai wordt als een trophee aan den geusstok bevestigd. Bijgeloovigen aan boord zeggen, dat een haaientand geluk aanbrengt, d.w.z. als men deze bij zich draagt.
Haakvoor.
Is de voorste man aan stuur- en bakboord in de roeisloep en de jongste matroos in de stoom- of motorsloep, die tot taak heeft bij het langs boord of langs den wal komen de sloep op te vangen, vrij te houden en het overeind vast te zetten. Hij hanteert daarbij meestal een boots- of sloepshaak. Het anker noemt men ook wel haak of „hasper. „De haak in den grand gooien-: ankeren. Men noemt iemand met een langen neus ook wel: „haak voor".
Halfdek.
Is het gedeelte van het opperdek voor de campagne. Op het half dek komen wil ook wel zeggen op parade komen, d.w.z. ter plaatse komen waar aan boord rechtspraak gehouden wordt over kleine vergrijpen aan boord. Ook wel: Op het matje komen.
Handleider.
Vindt men aan de davits. Ze hangen binnenwaarts en dienen tot steun van de mannen, die in de sloep blijven bij het hijschen of strijken van een sloep. Men mag zich nooit vasthouden aan de takels. Mocht ooit een sloep voor of achter doorschieten bij het hijschen of strijken, dan hebben de mannen in de sloep houvast aan de handleiders. Bij zeer slecht weer spant men aan dek of omlaag touwen waaraan men zich kan vastgrijpen. Ook deze touwen noemt men handleiders.
Hanepoot.
Wordt in dezen tijd weinig gebruikt. Het is een eind touw met drie „vertakkingen-, vormde een onderdeel van het twig (stangen en stagen) van de davits en men vond het in klein formaat ook wel op de zeilen. Wordt echter zelden gebruikt. Een hanepoot heeft men ook aan de handloglijn, d.w.z. aan het logplankje.
Hap snert.
Een hap snert verwerken is een borrel drinken.
Harig.
Ruig. Het was harig-ruig-weer, daardoor is het zicht minder goed. Niet te verwarren met mist, want dan is het zicht slecht.
Harmonica.
De harmonica (tegenwoordig accordeon) voor hand of mond was jarenlang het eenige muziekinstrument, dat officieel aan boord verstrekt werd, althans de handharmonica. De maats noemden het een trekpiano of trekstoof en de mondharmonica een jammerplank.
Harp.
De harp is geen muziekinstrument, doch een U-vormig rondijzer met oogen aan het einde, waardoor een moerbout gestoken wordt.
Heilige dagen.
Ontstaan als men bij schilderen slordig werkt en plekken openlaat.
Hekwieler.
Ook wel hekwielstoomer, is een, thans in Indie, oak nu nog wel gebruikt, platboomd vaartuig voor het bevaren van rivieren met geringen diepgang. Op het achterschip, dat hek ge- heeten wordt, is een schepwiel aangebracht, zooals vroeger de raderbooten aan stuur- en bakboord hadden. Dit scheprad geeft, in verbinding met een kleine machine aan boord voor de draaiende beweging van het wiel, voortstuwing aan het schip. De eerste hekwielsleepboot werd reeds in 1736 ontworpen door den Engelschman
J. Hulls.
Deze was een voorlooper van de stoomraderboot „Defiance-, die in 1816 een bezoek bracht aan ons land.
Helmstok.
De uitvinding van den helmstok is al zoo oud als het midscheepsche roer, doch den helmstok vindt men tegenwoordig alleen nog in gebruik op de sloepen. Op de groote schepen in den zeiltijd werd de helmstok nog gebruikt tot het einde van de 17e eeuw.
Toen werd het stuurrad uitgevonden, d.w.z. dat aan den koning (kop) van het roer nog wel een kleine roerpen bevestigd was, doch nu om er over stuur- en bakboord een reep (de stuurreep) aan vast te maken, die via blokken naar het elders opgestelde stuurrad liep en daar, door het draaien van het stuurrad aan den eenen kant op- en aan den anderen kant gelijktijdig afgewonden werd, zoodat het roer over stuur- of over bakboord te boord gehaald kon worden. De beste stuurrepen kwamen van de Witte Zee en waren repen walrushuid, die als touw ineengevlochten waren.
Hennegat.
Van hennegat spreekt men tegenwoordig alleen nog als de ruimte tusschen den spiegel (achterkant op den achtersteven) en het zettebord (los ruggebord in de kajuit) in een sloep. Vroeger was het 't gat, dat langs den achtersteven binnen door den spiegel leidde (de sierlijk uitgebouwde en verhoogde campagne — nog vroeger : het achterkasteel). Als het roer aan den achtersteven opgehangen was, stak de koning van het roer door het hennegat naar de konstabelkamer. Het 'hennegat werd afgesloten met een linnen of leeren zak, die men broeking noemde.
Hielen.
Hielen noemt men het aan elkander verbinden van twee zware trossen, vandaar de hielingsteek. Deze steek is een verbeterde editie van de platte knoop. Men voorkomt met de hielingsteek, dat de twee trossen, als er veel kracht op komt, niet meer van elkander te scheiden zijn. Legt men de einden niet op de voorgeschreven wijze, ,dan noemt men dit een „oude wijvenknoop", zooals men een onjuiste platte knoop (voor het aan elkaar verbinden van lichte trossen) „boerenknoop" noemt.
Hoedje van Kruger.
Hoedje van Kruger. De trek voor de vuren door de pijp ( schoorsteen ) op onze oorlogsschepen schijnt altijd een moeilijk probleem te zijn geweest. Dat was reeds het geval op de „Reinier Claeszen" (1890), waarvan de schoorsteen, om een beteren trek te krijgen, moest worden verlengd, dat bleek ook een probleem voor onze pantserdekschepen type „Gelderland". De aanvankelijk tot het einde cylindervormige pijp werd toen verbouwd en er een z.g. hoedvorm opgezet.
Dit systeem werd toen op vele andere van onze schepen toegepast. De oude „Heemskerck" en de „Zeven Provincial" hadden ook zoo'n schoorsteen. Omdat de toepassing van de schoorsteenen plaats had in den tijd (1900) , dat de „Gelderland" den President Paul Kruger naar Europa bracht en deze opgejaagde grijsaard een halven hoogen hoed placht te dragen, noemde men aan boord dezen schoorsteenvorm het hoedje van Kruger.
De eigenaardige „aanvulling" op den schoorsteen van den kruiser „De Ruyter" heeft nog geen bijnaam. Ze werd niet aangebracht om een beteren trek te krijgen, doch om den rook naar omhoog te leiden. Bij den proeftocht bleek nl. dat de rook op het achterschip, in het bijzonder op de luchtafweer, neersloeg.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :