zaterdag 21 april 2012

Matroos VanderSteng 029

Marine abc vervolgE - F - G
Eerste officier.
Is belast met de uitvoering van den dienst. Gewoonlijk is het de oudste luit. ter zee 1e klas of een overste (kapt. luit. ter zee). Op kleine schepen spreekt men gewoonlijk van den oudsten officier, meestal een luit. ter zee 2e klas, doch in elk geval de oudste der aan boord zijnde zee-officieren, uiteraard den commandant niet meegerekend.
Emmertuig.
Een sloeptuig, bestaande uit mast met want en één ra, die als gaffel dienst doet, waaraan een gespleten zeil, waar van het voorste gedeelte als fok, het achterste gedeelte als grootzeil wordt gebruikt. Het emmertuig raakt echter uit de mode.
Enter op.
Behalve dat men dit commando nog wel hoort gebruiken als roep van den provoost in het benedenschip als de schepelingen naar dek moeten (Ajo ! enter op), werd dit commando ook nog gebruikt aan boord van het opleidingsschip Hr. Ms. „Noord-Brabant- te Vlissingen. De matrozen, welke daar hun opleiding ontvingen, hadden den voortop ter beschikking, die volgetuigd was — echter zonder zeilen — en waarin men het enteren, uitleggen op de ra's en joelen in 't want beoefende.
Equipage.
Omvat alle schepelingen, d.i. de bemanning beneden den rang van of ficier. Deze uitdrukking is uit den Franschen tijd. Dat is ook het geval met &at-major voor de gezamenlijke officieren aan boord. Men vindt dit woord ook nog bij de uniform der officieren, nl. de &at-major-band, de zwarte band rond den rand van de officierspetten.
Ezelshoofd.
Komt aan boord ook zoo goed als niet meer voor. Het is een verbindingsstuk tusschen den mast en de steng of stengen onderling. Er is een rond en vierkant gat in het ezelshoofd. Het vierkante gat wordt om het boveneinde van het onderste rondhout of den mast bevestigd; door het ronde gat wordt het bovenste rondhout gestoken, dat met het vierkante ondereinde door middel van het slothout op de kalven van den mast (ook wel langszaling) rust. Het slothout was een langwerpig vierkante staaf ijzer, die dwars door een gat in de hieling van de steng gestoken werd. Ook aan den boegspriet beyond zich een ezelshoofd, voor den kluiverboom met het jaaghout.
Facteur.
Facteur. Ook nog een overblijfsel uit den Franschen tijd. Het is de man aan boord, die belast is met de distributie van de poststukken of/en het bijeenhalen en naar de post brengen van de aan boord geschreven brieven, e.d. Op buitenlandsche reizen een belangrijk man. Hij mag het eerst naar den wal om de post te halen en tot het laatst naar den wal gaan om de post te verzenden.
Fan.
Een Engelsche uitdrukking, die aan boord nog wordt gebruikt, doch reeds lang ook wel ventilator genoemd werd. Het gebruik van de fan in hutten en verblijven neemt sterk af, omdat op de nieuwe schepen luchtleidingen zijn aangebracht. Op de oudere schepen zag men in elke hut of kleine verblijven een fan voor luchtkoeling. Tegenwoordig heeft men groote ventilatoren, zoo veel mogelijk voor ieder waterdicht compartiment een eigen ventilator, voor de verversching of de afkoeling van de lucht. In elke hut loopt van deze leidingen een vertakking naar hutten of verblijven, waarvan de opening aan het einde met een klep verstelbaar is, of afgesloten kan worden.
Flottieljevaartuig.
In 1858 werd voor de Nederlandsche marine het eerste flottieljevaartuig op stapel gezet, 'de „Vulkaan'', een scheepje van 32 meter lang en een bemanning van 54 koppen. Maar dit moest niet beschouwd worden als de eersteling van een flottielje, een aantal kleine gelijksoortige oorlogsschepen, doch veeleer als een scheepje (kanonneerboot) voor de basisverdediging. Nu moet men betreffende den soortnaam van schepen, zoowel uit het verleden als in het heden, al even voorzichtig zijn als met de poging marinetermen to achterhalen. Herhaaldelijk zijn in den loop van de geschiedenis soortnamen gegeven aan schepen, die aan den oorspronkelijken naam geheel vreemd waren.
Flores
De „Flores" en de „Soemba" van 1925 en de „Johan Maurits van Nassau" van 1932 ( die in den Mei-oorlog 1940 ten onder ging) werden als flottieljevaartuigen gebouwd. Sedert 1938 worden ze kanonneerbooten genoemd.
Folleren.
Men denkt bij dit woord allicht aan het folio van een boek, dat genummerd is, en geenszins aan een marineterm. Toch wordt het nummeren van de kleedingstukken bij de marine folieren genoemd. Elke matroos, marinier of dienstplichtige bij de marine, moet zelf zijn plunjes nummeren, hetzij met slagletters, met wit draad (z.g. kettingsteken) of zwarte en witte verf.
Gaffel.
Rondhout, dat zich schuin opwaarts aan den achterkant van den mast kan bewegen. Diende voor het hijschen van langscheepsch grootzeil, bezaan- of gaffelzeil. Later, toen de schepen geen zeil meer voerden, werd de gaffel' gehandhaafd en daaraan bleef de vlag geheschen als het schip in de vaart was.
Op sommige schepen, zooals op de mijnenvegers type „Van Ewijck", heeft men aan den achtersten mast een klein rondhout aangebracht, dat men nog gaffel zou kunnen noemen en waaraan tijdens de vaart ook nu nog de vlag geheschen wordt. Op andere schepen blijft de vlag aan den vlaggestok wapperen.
Aardig is wel op te merken, dat de gaffelzeilen bij de marine aan het einde van de vorige eeuw al niet meer werden gevoerd, doch dat het gaffelzeil nu weer in eere hersteld is aan boord van Hr. Ms. „Nautilus", het politievaartuig (tevens mijnenlegger) voor toezicht ter zeevisscherij. Het schip werd in 1930 in dienst gesteld. Tijdens de kruisreizen op de Noordzee voert het al stoomende, tevens een gaffelzeil aan den achtermast, om door den druk op dit zeil niet zoo zwaar te slingeren.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :