dinsdag 17 april 2012

Matroos Vandersteng 028

Marine abc vervolgD
Dompen.
Wordt aan boord alleen genoemd als een handeling met het kanon. Het kanon dompen is: de monding laten zakken. De monding omhoog draaien noemt men vluchten. Bij de zware mitrailleurs spreekt men van duik- en klimvlucht van het geobserveerde doel.
Donderpen.
Bliksemafleider op de kloot, d.i. de platte schijf op het uiterste puntje van den mast of steng.
Doormannen.
Doorgeven : „Wil je dat ding even doormannen Zoo gebruikt men aan boord ook „opmannen" voor het aan dek roepen van dezen of genen schepeling en voor het hooger op doorgeven van voorwerpen.
Doove Jut.
Is een houten davit, o.a. in de barkas, (de zwaarste en grootste roeisloep aan boord), die goede diensten kan doen bij het uitbrengen van een werpanker of bij het vertuien.
Draadversperring.
In Oost-Indië krijgt men als ontbijt rijst, waarbij een licht soort rotmok (haché). Het wordt gemaakt van mager vleesch uit blik, dat met 'n uitje en reuzel plus veel sambal opgesudderd wordt. Het vleesch, dat dan als dunne vezels uit elkaar valt, lijkt veel op draadjes. Zoowel om deze draadjes als om de sambal, die het heele geval nogal 'flets (bedis) maakt, noemt men dit soort haché aan boord in Indië draadversperring. De vette, zwaar te verwerken haché in Nederland, de z.g. rotmok, wordt ook met rijst gegeten.
Drieling torpedo-lanceerinrichting.
Bij onze marine kende men reeds de dubbele lanceerbuizen (dubbelkanon of dubbelbuizen voor de torpedo's op de jagers. Aan boord van den flottieljeleider „Tromp" (daarna ook op de „Heemskerck" en de nieuwste torpedobootjagers) werden twee drielingen geplaatst, d.i. een inrichting, aan stuur- en bakboord of alleen in de midscheeps, waaruit drie naast elkaar liggende torpedo's gelanceerd kunnen worden.
Drift.
Het schip of de sloepen raken ,driftig, gaan drijven, raken los. Ook het verlijeren tengevolge van den stroom (afdrijven) en bij vliegtuigen door den wind, noemt men drift.
Droogwant maken.
Op niet al te oude plaatjes van de opleiding voor matroos aan boord van b.v. de „Wassenaar" te Amsterdam, die in 1903 verdween, of aan boord van de „Van Galen" te HellevoetSluis en zelfs op de Kweekschool voor de Zeevaart te Leiden (beiden omstreeks 1914 opgedoekt) kan men zien, dat het waschgoed te drogen werd gehangen tusschen de masten aan het want.
Bij droog weer was dit inderdaad de beste plaats om het waschgoed van de schepelingen droog te krijgen. Het opbergen van dit waschgoed noemde men droogwant maken. Aan de opleiding voor matroos te Vlissingen en van de dienstplichtigen te Den Helder heeft men droogstellingen en het opbergen van deze lijnen met waschgoed gebeurt nog op dezelfde wijze als vroeger, n.l. het begin van de lijn wordt om den hals, over de schouders van een der schepelingen gelegd.
Hij draait zich als een tol rond, terwijl de lijn met waschgoed om zijn schouders wordt gewonden. Als het waschgoed aldus naar de verblijven is gebracht, wordt 'de man weer „afgewonden- en de goederen van de lijn gehaald. Op de moderne schepen, waar men volledige wasch- en strijkinrichtingen heeft, zijn ook droogkamers. De naam droogwant maken bleef gehandhaafd voor het opbergen van droog gewaaid waschgoed.
Drijfijs.
Snert met drijfijs. Stukjes, dobbelsteenen, spek, die in de erwtensoep drijven. Wil men de snert smakelijker serveeren, dan wrijft men deze door een zeef en verdwijnen de erwtenvelletjes; daarna doet men er de stukjes spek in. Men noemt dit doorgeslagen snert met drijfijs.
D.T.
-is bij de marine het station voor draadlooze telegrafie, zooals voor enkele jaren de radiohut genoemd werd.
Duiven van den admiraal.
Waar schepen zijn, zijn kokmeeuwen, althans ter reede en in elk geval in de haven. Dat is ook het geval in Den Helder. Men noemt daar de kokmeeuwen de duiven van den admiraal. Hun „visitekaartjes - kunnen heel lastig zijn. Dikwijls zitten de kokmeeuwen op den kloot van den mast en valt hun „visitekaartje- omlaag op de brug of op het halfdek of op wie daar toevallig staat. Als dit gebeurt tijdens vlaggeparade, waarbij iedereen front moet maken naar de vlag, dan is dit wel zeer ongepast. Men heeft dit zitten op den kloot wel eens trachten te voorkomen door er kleine spijkertjes in te slaan.
Duiventil.
Of het nu komt van de overeenkomst met het kirren, dan wel van het fladderen is moeilijk te zeggen, doch het seindek, dat boven het stuurhuis op de brug gelegen is, noemt men de duiventil. Het is heel goed mogelijk, dat het dikwijls storend praten van de seiners onderling op het seindek, oorzaak werd van de waarschuwing van de brug, „dat men het gekir moest staken". Het is ook mogelijk, dat de fladderende seinvlaggen overeenkomst vertoonden met duivengefladder en het seindek daarom duiventil geheeten werd.
Duvel.
Een merkwaardig oud sein-instrument, dat men zelfs in onze‘ dagen nog aan boord van de schepen tegenkomt, hoewel het zelden of nooit gebruikt wordt. Eigenlijk beet het duvelpot. De duvelpot lijkt veel op een klein model van onze oud-vaderlandsche doofpot. Ook de duvelpot is van roodkoper. Aan het deksel is een handvat aangebracht, hetwelk binnenwaarts verlengd is. Aan het einde daarvan is een dot lappen bevestigd, die gedrenkt wordt in de zich in den pot bevindende terpentijn, waardoor een wit vlammend licht wordt ontstoken. In hoofdzaak wordt de duvelpot gebruikt voor de manoeuvres met de sloepen bij nacht en als of ficieel sein bij ten anker liggend schip, bij mist of bij nood. Wordt er van boord een sein gegeven met zoeklicht of topseinlamp, dan is 1 duvel het contra- of begrepensein; 2 duvels (dwz. het tweemaal achtereenvolgens ontsteken van de duvel) een verzoek om het laatste woord te herhalen en 3 duvels een verzoek om het geheele sein te herhalen. Vaart men met de sloepen bij nacht op brandwacht of manoeuvres, dan heeft het ontsteken van 1, 2, of 3 duvels de beteekenis van resp. roei stuurboord uit; bakboord uit of recht vooruit. Figuurlijk is beduvelen : ik zal je bijlichten, ik zal je wel krijgen, of beduvelen : voor den gek houden.
Duvelstoejager.
Sliphaak; dient om het einde van den ankerketting in den kettingbak aan het schip te verbinden om het uitloopen te 'beletten. Aan boord van het pantserschip „Kortenaer", omstreeks 1910, gebeurde het bij slecht weer, dat het anker en de geheele ankerketting verspeeld werd, doordat men geen kans zag den uitloopenden ketting te stoppen en de duvelstoejager uit den bodem van den kettingbak gerukt werd.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :