woensdag 4 april 2012

Matroos Vandersteng 024

Marine abc vervolgB
Botermaat.
De marineman is een gemeenschapsmensch. Hij zoekt altijd vrienden en beslist een maat, waarmede hij passagieren gaat of op de vervelende, eenzame uren van een lange reis z'n hart eens luchten kan en vertrouwelijk spreken.
De botermaat is eerst omstreeks het einde van de 19e eeuw ontstaan, toen de rantsoenen van de schepelingen, althans wat boter, brood en toespijs betreft, meer individueel werden uitgereikt. Kaas was er altijd genoeg.
Doch wat kon je met 40 gram boter per hoofd en per dag doen ? De een heeft er te veel, de andere te weinig aan. Waarom zou de marineman (hij is immers gemeenschapsmensch) geen maat zoeken aan denzelfden bak, waarmee hij het boter-lief-en-leed kan deelen ? En zoo deponeerde het zeuntje in blikjes, glazen, mokjes e.d. gemerkt of naar het uiterlijk direct te onderscheiden, het gemeenschappelijk boterrantsoen voor Vandersteng met Uitdeketting en Bramstaglooper en met Heinpardoen. Is het wonder, dat bij zooveel vertrouwelijkheid en gemeenschapszin, de marineman z'n vrouw ook wel z'n botermaat noemde ?
Bottelier.
Natuurlijk bottelt de bottelier niet. Het is zelfs de vraag of hij in de oudheid het bottelen als hoofdberoep uitoefende. In elk geval heeft hij met bottelen niets van doen, doch is hij een meester in het beheer en de uitreiking van levensmiddelen aan boord, zoowel aan de bemanning, dat wil zeggen aan de zeuntjes ter onderverdeeling aan het baksvolk, aan de hofmeesters voor officieren en onderofficieren als aan den kok voor de verdere bereiding.
Men denke daarover niet te licht. En vooral niet in den modernen tijd, omdat er aan boord van een modern schip heel wat komt kijken. Zijn onmiddellijke chef is de officier van administratie, maar het vakwerk is den bottelier toevertrouwd. Natuurlijk heeft hij warenkennis, maar hij beent ook de koe of het varken uit, als een volleerd slager en de fijne deelen, de rollade of de bal gehakt, verdeelt hij, niet alleen naar eer en geweten, doch ook naar de vastgestelde regelen, opdat ieder op zijn beurt het beste of alleen maar het goede en de juiste hoeveelheid krijgt.
Er is bovendien een rantsoencommissie, telkens opnieuw voor een periode samen te stellen, die den bottelier, of juister de rantsoenen controleert, hetgeen in laatste instantie ook nog door den officier van het benedenschip wordt gedaan.
Botvangen.
Is iets wat elken roeier in een sloep wel eens zou kunnen overkomen, doch dan begaat hij een groote onhandigheid. Want zelfs tijdens de grootste krachtsinspanning, als de roeiers op de riemen liggen en de sloep met kracht door het water trekken, moet hij er altijd op bedacht zijn, dat de riem op het juiste moment uit het water komt. Geschiedt dit niet, dan heeft men kans bot te vangen; de riem wordt dan door het wegtrekkende water en de stuwende kracht van de sloep uit de handen gerukt, men slaat achterover en de vaart van de sloep wordt gebroken. Soms ook de riem... Men kan echte bot heel wat succesvoller vangen.
Bovenbouw.
van een schip is datgene wat zich boven het opperdek bevindt. Op een onderzeeboot beperkt zich dit tot het torengedeelte, waarin, althans op de nieuwste booten, onder de brugkuip (het gedeelte voor de navigatie boven water) zich een wachthut, badkamer, bergplaats, hulpkombuis e.d. bevindt. Op onze nieuwste schepen „Tromp", „Heemskerck" en „De Ruyter" bestaat de bovenbouw uit torens, masten, schoorsteen, catapult voor de vliegtuigen, onderbrug (verblijf onderofficieren), brug en dekhuizen (voor den commandant en enkele officieren) en de geschuttorens. Vroeger sprak men niet van bovenbouw, doch van het tuig.
Braadpan.
Langwerpige, dun ijzeren bak of pan, waarin het vleesch voor het baksvolk gebraden wordt. De „Hertog Hendrik" was het eerste schip (in dienst gesteld 5 Jan. 1904), dat een installatie aan boord kreeg voor het bakken en braden en werd daarom „Kapal braadpan" genoemd. Voordien werd het vleesch voor het baksvolk alleen gekookt opgediend.
Bramstagloopers.
Waren kleine houten ballen aan het bramstag voor het aanbrengen van het tusschenstagzeil. De capucijners kregen aan boord dezen naam, waarschijnlijk omdat zij, evenals de bramstagloopers, hard en houterig waren, vooral na lange reizen. Omstreeks 1850 verdwenen bij de marine deze tusschenstagzeilen en waren de bramstagloopers overbodig; men gebruikte daarvoor trouwens reeds lang leuvers.
De capucijners werden gaandeweg „raasdonders" geheeten. Waaraan deze naam ontleend is, valt moeilijk te achterhalen. Een oud-gast verklaarde eens, dat de naam ontstaan is, doordat op de dagen waarop capucijners gegeten werd, meer „knallen" in het benedenschip, resp. de hutten, worden gehoord, dan op de snertdagen. Wij gelooven van dit goedkoope grapje niet veel.
Intusschen worden de capucijners sedert enkele jaren „vruchten op water" genoemd, naar de in blik geconserveerde vruchten. Deze naam is wel zeer goed gekozen, want de capucijners worden met het water, waarin zij gekookt zijn, door de zeuntjes aan de bakken gebracht.
Met een „gaatjeslepel" schept het zeuntje de capucijners op de borden. Sommige manschappen hebben de capucijners liever „zoo van den kok'', dus met het water.
Gebruik de uitdrukking „zoo van den kok" echter alleen bij het opscheppen van de capucijners, want in andere omstandigheden beteekent „zoo van den kok" — naakt. Hij ging „zoo van den kok" zwemmen.
Brandwachtvaren.
Met schip of sloep voor de kust of op de ree toezicht houden, voornamelijk in tijden van spanning.
Braniekraag.
Donkerblauwe linnen kraag met witte revers, die, hetzij los, met knoopen bevestigd wordt en over de pijjekkerkraag, baaienhemdkraag of baadjeskraag, of wel één geheel uitmakend met het witte hemd, door de schepelingen wordt gedragen. Op het donkerblauwe linnen zijn drie witte bandjes (z.g. veterband) langs de randen genaaid. Naar verluidt zouden deze bandjes het eerst bij de Engelsche marine ingevoerd zijn ter herinnering aan de drie overwinningen van Nelson. Maar hoeveel bandjes zouden onze matrozen dan wel moeten dragen ter herinnering aan de overwinningen van De Ruyter ? De losse braniekraag is een vinding van den laatsten tijd. De braniekraag wordt gewoonlijk gestreken „zoo hard als een plank". Vroeger werd het witte hemd met braniekraag alleen op Zon- en feestdagen gedragen. Tegenwoordig wordt de braniekraag, en dan meestal de losse, alle dagen gedragen als men naar den wal gaat om te passagieren.
Brassen.
In horizontaal vlak draaien van de ra's. Wordt alleen nog maar als zegswijze gebruikt, b.v. volbrassen, je kunt volbrassen, je kunt weggaan; bij den wind brassen of zetten is : voor den gek houden. Z'n geld verbrassen; z'n geld opmaken, verspillen.
Brave zooiensteker.
Het verhaal gaat, dat een burger, die als de dood zoo bang was zeeziek te worden, eens met een onzer schepen voor een oefenreis kon meevaren. Hem werd geadviseerd een graszode mee te nemen en daaraan steeds te ruiken, opdat hij tijdens stormweer op zee land zou ruiken. Of het graszodensteken veel ingang heeft gevonden? ... In elk geval wordt de burger aan boord ook wel „brave zooiensteker" geheeten.
Breeuwen.
Het breeuwen van dekken van de schepen is bijna zoo oud als de zeilvaart. Het breeuwen van de huid dateert van omstreeks 1450. Voordien was de scheepshuid overlappend, zooals nu nog bij de vletten en bij de reddingbooten aan boord van de koopvaardijschepen het geval is. De gladdehuidschepen noemde men karveelen, naar deze methode. De naad werd met een rabatijzer op evenwijdige wijze (plm. 2 mm) aan den buitenkant opengeslagen, en daarin werd met een breeuwijzer een wollen draad gedreven (ook wel „werk'') en vervolgens met harpuis of pek waterdicht gemaakt. Deze methode wordt ook nu nog gevolgd en het rabat- en breeuwijzer, alsmede de breeuwhamer heeft nog denzelfden vorm als omstreeks 1450. Daar waar op onze oorlogsschepen een houten opperdek is aangebracht, wordt het breeuwen ook toegepast. Nabreeuwen beteekent echter : over een oude of afgedane zaak maar blijven mopperen.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :