vrijdag 6 april 2012

Matroos Vandersteng 025

Marine abc vervolgB
Broek.
Een broekje krijgen: met oneervol ontslag uit de marine gezonden worden.
Broek op de klomp.
Ook de marine kent haar modetijdperken. Er was een tijd, dat men de strakke lakenbroek droeg volgens Fransch model. Zoo'n modegril duurde nooit lang en al spoedig ging men dan ook over tot het Engelsche model : strak om de knieën, doch wijd van onderen. Men noemde dit : de broek op de klompen dragen, ook wel „olifantspooten". Ook die mode-periode duurde kort. Sinds enkele jaren draagt men de lakenbroek van recht model. Ze is, behalve van practischen aard, ook daarom beter te waardeeren, omdat het geen na-aperij van een of andere buitenlandsche marine is. De zegswijze : broek op de klomp is blijven bestaan als uitdrukking dat de opgeperste vouw in de broek sierlijk tot op de schoenen doorloopt.
Broek van Bertha.
Een broek is het niet en Bertha heeft er geen schuld aan. Het is een zeildoeksche en verplaatsbare luchtkoker, aan het boveneinde met twee windvangers; wordt boven de tent uit geheschen, meestal boven de machinekamer voor extra toevoer van frissche lucht. Ze werden reeds in den zeiltijd gebruikt voor het doorluchten van het benedenschip.
Broekmatten.
Gevlochten touwen reepmat, speciaal voor de sloepen als deze in de davits hangen. Ze worden kruislings buiten de sloepen doorgehaald en binnenboord vastgesjord, teneinde het slingeren van de sloepen bij zeegang te voorkomen.
Broeking.
De versterkte linnen kant aan een vlag, waaraan de vlaggelijn bevestigd wordt, heet broeking. Aan het boveneinde is een lus. Oog zegt men bij de marine. Aan het ondereinde loopt de lijn plm. 2 m door. Bij de natievlaggen is deze verhouding noodzakelijk, opdat het boveneinde met de lus geheel tegen den kloot van den vlaggestok doorgehaald kan worden. Zou men dit niet doen, dan krijgt men den indruk alsof de vlag halfstok hangt. Bij de seinvlaggen is aan de broeking onder en boven een evenlang end, waaraan een wartelende open schalm (musqueton geheeten) is aangebracht, waardoor het aanslaan (bevestigen) van de vlaggen wordt vergemakkelijkt. In den ouden zeiltijd was de broeking een zware tros om het stuk geschut optevangen bij het reculeeren. Zie ook hennegat. (Wat de musqueton betreft, dit is waarschijnlijk een verbastering van het fransche mousqueton, de bereden troepen droegen daar hun musket, later de karabijn aan.)
Brug.
Commandobrug of brugkuip. Op de bovenwaterschepen wordt de commandobrug zonder meer brug genoemd. Op de onderzeebooten noemt men de commandobrug brugkuip, ook wel badkuip of kuip. Heel verklaarbaar voor wie weet, dat men op de onderzeebooten op de commandobrug dikwijls veel water te verwerken krijgt door de overspattende zeetjes of de rollende golven.
Bruiskap.
Soort rijtuigkap van zeildoek op de sloep (vooral stoomsloep) voor het opvangen van het bruiswater.
Buitenboordsgasten.
Buitenboordsgasten. Matrozen, die het schip buitenboord moeten schoonhouden. Men had vroeger, en op sommige schepen nu nog, een speciale ploeg matrozen eerste klas (de eigenlijke gasten dus), die daarvoor werd aangewezen.
Buitengaats.
Buiten het zeegat, dus op zee, zonder nadere aanduiding. Het schip is buitengaats. Het schip is of ligt voorgaats wil zeggen, dat het schip op zee voor een onzer zeegaten ligt, gereed om binnen te stoomen. Voorgaats komen wil ook zeggen: voor den dag komen of op een aangegeven plaats komen.
Buitenhuid.
De buitenste huid van een schip of sloep. Dat klinkt misschien sommigen wat vreemd, doch men onderscheidde toch ook reeds op de zeilschepen een buitenhuid en een binnenhuid; deze eerste kon bovendien nog uit een dubbele laag planken bestaan, deze laatste werd ook wel beschietsel of wegering geheeten. Het beschietsel (men heeft op de marinewerf nu nog een scheepsbeschieterswerkplaats) diende voor het afwerken van het binnenschip op de spanten en dat strekte zich allengs uit tot de verblijven en hutten en alles wat daar bij te pas komt.
De stoomsloepen en de motorsloepen hebben — zooals de roeisloepen enkele gangen — een dubbele huid. De binnenhuid loopt langsscheeps; de buitenhuid van het dolboord schuin naar voren tot de kiel. Tusschen binnen- en buitenhuid is geprepareerd linnen aangebracht.
De binnen- en buitenhuid (elk plm. 1 cm dik) worden met roodkoperen boutjes aan elkaar geklonken. Op de oude ijzeren schepen en op de kleine nieuwe schepen heeft men een enkele buitenhuid.
Doch op de nieuwe schepen zooals de „Tromp-, enz. heeft men althans onder de waterlijn, een dubbele huid, die echter ver van de buitenhuid binnenwaarts geplaatst is. De ruimte tusschen binnen- en buitenhuid noemt men kofferdam of kofferruim (zie Ketelruim). Het aldus plaatsen van binnen- en buitenhuid onder de waterlijn is een veiligheidsmaatregel van de moderne zeestrategie.
Een torpedo of granaat, die door de buitenhuid is gedrongen, zal in vele gevallen direct daarna explodeeren en niet meer door de verderop gelegen binnenhuid dringen, waardoor de vitale deelen van het schip beschermd worden. De groote schepen hebben zelfs een dubbelen kofferdam, en dan veelal nog eens op de waterlijn, buiten tegen de huid een extra torpedoschot (torpedowulst, letterlijk torpedowrong — denk aan haarwrong — zooals de Duitschers zeggen.)
Buitenomspoelen.
In tegenstelling van dekspoelen: buitenom, d.w.z. de huid, het boord van het schip schoonmaken, waarvoor speciaal de buitenboordsgasten aangewezen zijn.
Bulleglas.
Een verbastering van het Engelsche bull eye; is een rond glas in koperen rand, dat in het opperdek aangebracht is boven donkere gedeelten in bet daaronder gelegen dek.
Busschieter.
De busschieters waren schutters, gewapend met het schietgeweer (zijd-geweer is sabel), die omstreeks 1572 aan boord van de Vliebooten kwamen. Thans echter is de busschieter de paai van een kanon, d.w.z. belast met het schoonhouden van het kanon aan boord, hoewel tot voor enkele tientallen jaren alle bedieningsmanschappen bij de kanons nog busschieters werden genoemd.
wordt vervolgd..
steng 03

Geen opmerkingen :