maandag 2 april 2012

Matroos Vandersteng 023

Marine abc vervolgB
Boei.
Reddingboei, ankerboei, gasboei, lichtboei, brulboei, in het algemeen bakens en tonnen voor het aangeven van een veilige vaargeul, met uitzondering natuurlijk van de reddingboei, die voor drenkelingen gebruikt wordt. Zij dienen dus voor de scheepvaart in het algemeen.
Boeien, die alleen door de marine gebruikt worden, zijn aan boord van de mijnenleggers en mijnenvegers, als teeken voor het leggen en vegen van series mijnen. Wel kent men ook nu nog aan boord den boeireep, een tros, aan het anker bevestigd, waarop, aan het andere eind, de ankerboei. Deze diende om bij eventueel breken van den ankerkabel of -ketting, de plaats aan te duiden waar bet anker lag, om dit te kunnen visschen.
Er zijn havens — ook in het buitenland — waar speciale boeien aangewezen zijn voor onze oorlogsschepen. Zoo b.v. in de haven van Tandjong Priok.
Tijdens den Balkanoorlog had het te Konstantinopel liggende internationale eskader voor elk schip een gereserveerde ankerboei. Men bleef echter niet voortdurend ter reede liggen, doch trok er ook wel eens een paar dagen tusschen uit om, ter afwisseling, korte tochten te maken in de zee van Marmora.
Ter herkenning voor de Nederlandsche oorlogsschepen („Gelderland" en „Kortenaer" waren er afwisselend gedurende plm. anderhalf jaar) had men op de boei het woord „pap" geschilderd. Jaren later nog — als een onzer schepen een speciale boei aangewezen kreeg werd aan boord gezegd : „we liggen aan boei pap".
Boeitjepikken.
Teneinde voor jongere officieren, adelborsten en matrozen van de kwartiermeesters-opleiding grootere vaardigheid te verkrijgen in het sturen, worden tal van oefeningen in open zee gehouden alsof men een haven binnenloopt en langs de kade gaat liggen. Een boei, waarop een vlag bevestigd wordt, stelt dan het doel voor waar men langszij moet komen.
Boelijn.
De boelijn zal bij weinigen van den tegenwoordigen tijd bekend zijn. De uitdrukking „Boelijn over de nok", d.i „drukte om niets-, wordt echter, hoewel zeldzaam, nog wel eens gehoord. Men zegt ook wel : „er is roering in de hieling -. Zie overigens „pen uit". Voor hen, die de beteekenis van de boelijn niet weten, wordt medegedeeld, dat deze diende om bij den wind zeilende, de loef staande lijken stijf te zetten; bij wending kwam het een enkele maal voor, dat een boelijn onklaar raakte om een nok van een ra, wat een beletsel was voor 't brassen en aanleiding gaf tot tal van complicaties.
Boer.
Het wemelt bij de marine van de boeren, doch er is geen enkele officieele boer bij. Men kent aan boord den verfboer, den waterboer, den kachelboer, den sappieboer, den rotmokboer, den cacao- of theeboer, den vettehapboer, den kippenboer, doch deze laatste heet ook : pluimgraaf.
Een der manschappen, die verstand heeft van verfmengen (soms ook heelemaal niet) , wordt door den schipper aangewezen met de zorg over het detail „verf". In de wandeling wordt hij dan den verfboer genoemd. Dikwijls wordt de matroostimmerman, doch ook wel een „gewoon matroos" met de rantsoeneering van het zoetwater belast. Deze heet dan waterboer.
In overeenkomstigen zin spreekt men dus ook van kachelboer, kippenboer (of pluimgraaf) en sappieboer. Deze beide laatste functies (verzor gers van pluimvee en slachtvee) heeft men in Indie ook thans nog, al wordt het een zeldzaamheid dat zij daadwerkelijk optreden.
De moderne schepen en de moderne conserveermethode brachten daarin verandering. Met den rotmokboer, cacaoboer en vettenhapboer staat de zaak even anders. Kan men de eerstgenoemde boeren nog min of meer officieele functionarissen noemen, de drie laatsten zijn clandestiene verkoopers (buiten de toko om) van rotmok, cacao en vetten hap. Heelemaal clandestien is dat ook weer niet, want het wordt hier en daar oogluikend toegelaten, dat sommige schepelingen zich „ontfermen over 'hun collega's, op momenten buiten diensttijd, als de schepeling trek heeft in een mok cacao, thee of een hartig hapje, en dat is op zee in zeven dagen van de week heel dikwijls het geval.
Feitelijk doet hij niets anders dan inkoopen voor eigen risico, den kok in het complot betrekken, hem daarvoor een aandeel in de winst geven, en het product aan de liefhebbers tegen idem-zooveel per portie verkoopen. De laatste jaren is dit echter niet zoo erg meer, doch het komt, vooral op kleine scheepjes in Oost-Indië, nog wel voor.
Bokkepoot, bokketuig en bokkeveldje.
Drie uitdrukkingen, die alle betrekking hebben op den koppel, de patroontasschen, bajonetscheede en riemen voor het meenemen van geweerpatronen door elken geweerdragende bij de marine. Dit samenstel van koppel, patroontasschen, bajonetscheede en riemen (deze laatste over de schouders en kruiselings op den rug) wordt bij de marine het leergoed of ook wel het bokketuig genoemd. Omdat de adelborsten infanterie-exercitie hielden op een klein terrein achter het Kon. Instituut werd dit door hen het bokkeveldje genoemd. Bokkepoot: scheldnaam voor marinier, (Vroeger : Bakpoot voor matroos; Slothout voor marinier).
Bolder.
Korte zware gietstalen cylinder op den bak of de campagne voor het beleggen van touwen, in het bijzonder van meertrossen. De bolders, die als twee zware olifantspooten op een voetplaat naast elkaar staan, zijn op den bak een geliefkoosde zitplaats. Ze zijn in elk geval steeds bij de hand en op dezelfde plaats, hetgeen van de losse banken tegen de reeling niet altijd gezegd kan worden.
Boot-afhouden.
Is sedert lang verbasterd in poot-afhouden. Het beteekent, dat men bij een of ander werk niets uitvoert. Niet to verwarren met lijntrekken. Een lijntrekker onttrekt zich; een bootafhouder staat wel, met z'n maats, bij het werk, maar voert niets uit; hij houdt z'n „poot" van het werk af. De werkelijke en nuttig werk verrichtende boot-afhouder is de haak-voor.
Bootsmansfluitje.
Een 3 mm rand en pl.m. 15 cm lang ietwat gebogen pijpje, bevestigd met een steunstukje, dat tevens handgreep is, aan een koper balletje van pl.m. 3 cm middellijn met een klein gleufje ter plaatse waar het pijpje bevestigd is... ziedaar het beroemde en zoo graag door de dek-officieren gebruikte boots-mansfluitje.
Er zijn zilveren, soms gouden bootsmansfluitjes cadeau gedaan, als 'de bootsman, de schipper of de opperschipper een „beste kerel" voor het scheepsvolk was. Soms werd het blaasballetje gemaakt van twee, tot één bol vereenigde bovenkanten van een jekkerknoop, dikwijls werd als versiering op de handgreep fraai graveersel aangebracht, maar de toon was altijd dezelfde : hoog sjilpend. Als attentie voor een te volgen schreeuw of roep tot het scheepsvolk, dat dikwijls hoog in het tuig, of diep in het benedenschip was, was het bootsmansfluitje onmisbaar.
Doch ook op de moderne schepen handhaafde het zich en zelfs op de „Tromp' en de „De Ruyter", waar alle commando's per telefoon of radio-omroep werden doorgegeven, was het onmisbaar. Hoe zou men anders den officier, den vlagofficier of andere hooge gasten bij den valreep kunnen „over fluiten"
Trouwens, het bootsmansfluitje is het eenige wat de dekofficier „om handen heeft" en tot zijn attribuut behoort. Er verandert veel in onze marine, doch het bootsmansfluitje zal zich handhaven zoolang de marine vaart, want er zijn vele signalen, die niet op de tram, den hoorn of de scheepsklok gegeven worden, doch met het bootsmansfluitje, zooals handenschoon, kooien-af en kooienop, poelen op de fluit, vastzoo, vieren, en zoovele andere.
Bootsmanskist.
Ook de bootsmanskist zal zich handhaven... want de bootsmanskist is de zee. „Gooi het maar in de bootsmanskist": „gooi het maar overboord in zee; ook wel : „zet het maar vrij in de bootsmanskist". Soms maakt men grapjes en laat men den baar aan boord den sleutel van de bootsmanskist zoeken (denk aan Aprilmoppen) en mocht hij ooit met een sleutel komen aandragen, die een „welwillende" gast hem als den sleutel van de bootsmanskist aanwees, dan zwaait er wat, omdat hij zich zoo hardnekkig stom liet beetnemen.
Bootsmansstoeltje.
Natuurlijk is het geen stoel, al kan men er wel op zitten. De tijd, sinds welken de bootsman werkelijk een stoel aan boord kreeg, al was dit alleen in z'n hut of in den „gouden bal", ligt niet in het verre verleden. Het bootsmansstoeltje echter is al zoo oud als het tuig en dus nog uit den ouden zeiltijd. Het is een plank met aan weerskanten een strop. Met de plank als zitplaats en de stroppen als hijsch, liet de matroos zich hoog in het tuig halen om stagen te controleeren of te lapzalven, of wel liet hij zich er mee buitenboord zakken om het schip hier of daar een kwast te geven.
Bordes.
Houten rooster als uitbouw buitenboord voor de looders, dat wel eenigszins aan een balcon doet denken; ook wel bordes voor standplaats bij zoeklichten, peilkompas, mitrailleurs e.d. De oorsprong van het loodbordes, dat neergeklapt kan worden, ligt in den zeiltijd waar de looder in de „rust- van den fokkemast stond.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :