dinsdag 27 maart 2012

Matroos Vandersteng 020

Marine abc vervolgB
Balken.
Maleisch: omkeeren. Men spreekt aan boord altijd van balken, zelden van omkeeren.
Ballastschuitje.
Van de woorden en benamingen, die op de ballast van een schip betrekking hebben, is alleen het ballastschuitje bij de marine nog bekend, doch als zoodanig alleen nog in gebruik voor zeilsloepen. Toch treft men nog wel enkele ballastschuitjes aan. Het zijn langwerpig vierkante gietijzers met twee gaten door en door. Bij de marine kent men nog maar drie soorten : de kleine van plm. 12 kg, de groote van plm. 25 kg en de schuine. Deze laatste is zoo lang als de groote en zoo zwaar als de kleine, omdat dit ballastschuitje inplaats van langwerpig vierkant, langwerpig driehoekig is.
Bamboehoed.
In Oost- en in West-Indië dragen de korporaals en manschappen een bamboehoed met grooten opstaanden rand. Het zijn geen fraaie en ook geen practische hoofddeksels, omdat de rand officieel niet mag worden neergeslagen ter bescherming tegen de zon. Tijdens landingsdivisie wordt dat wel gedaan naar het voorbeeld van het Indische leger. De mariniers dragen ook een bamboehoed en om den bol een „hoedenlint, en daarop de woorden „Korps Mariniers. Tot voor enkele jaren moest de hoed ook gedragen worden als men ging passagieren. Tegenwoordig ziet men echter de gewone lakenmuts dragen, zooals in Nederland het geval is.
Barbettes.
De geschuttorens aan boord van de oorlogsschepen. Bij onze marine werden de geschuttorens het eerst geplaatst aan boord van de monitors in 1868. Een latere constructie heette op de pantserdekschepen aanvankelijk barbettes, waarvan de geheele opstelling (pantser en al tot diep in het schip) draaide. Op de nieuwere schepen bouwt men op het pantserdek een gepantserden koker, die plm. 1 m boven het opperdek uitsteekt en waarop de toren (met de kanons) gebouwd is. Alles wat aan en in dezen toren bevestigd is, is draaibaar binnen dezen koker.
Barkasroeier.
Barkasroeier ( roeier in de grootste sloep: de barkas). Is eigenlijk een scheldnaam, zooals „Hemeldragonder" en „Stoker van. de Harwichboot", alle drie toepasselijk op geestelijken in het algemeen. Deze laatste uitdrukking is beslist geen marineterm. Men zegt wel eens, dat „Barkasroeier" de bijnaam is voor den vlootpredikant en „Hemeldragonder" voor den vlootaalmoezenier.
De bijnaam „Barkasroeier" is echter veel ouder dan het instituut van vlootpredikanten en vlootaalmoezeniers, dat van 1921 dateert. Zeer waarschijnlijk is de bijnaam „Barkasroeier" ontstaan in 1904, toen de Christ. Officieren-Ver. van de landmacht, een dominè bereid vond zich met de zielszorg voor den christelijken schepeling bezig te houden. „Barkasroeier" en „Hemeldragonder" hebben als scheldnaam bij de marine weinig of trek gevonden. Een andere lezing is, dat „barkasroeier" als bijnaam (niet als scheldwoord) voor 9eestelijken, veel en veel ouder is en reeds voor 1877 aan boord gebruikt werd.
Barang.
Gezamenlijke eigendommen, kleeding, koffers, e.d. Deze uitdrukking is wederom aan het Maleisch ontleend, doch het eigenaardige is, dat de verbastering ervan, nl. „barring", gezegd wordt voor de gezamenlijke rondhouten, losse deelen e.d. van mast en sloep en tuig. Men spreekt (ook in officieele stukken) van barringijzers, waarmede bedoeld zijn de twee als groote stemvorken gebogen ijzers, die langs het dolboord in de sloepen geplaatst worn den om de losse deelen,-rondhouten, riemen, e.d. te kunnen opbergen.
Bederven.
Eigenlijk : „He, kok, valt er nog wat te bederven ?" Dat zit zoo : De schepeling in 't algemeen is een eetgrage gast en verwerkt ook buiten de officieele schafttijden graag een hapje. Dat blijkt wel uit de vele termen, die op de voeding betrekking hebben.
Nu is het terrein om aan een extra hapje te komen, beperkt tot den kok en in het bijzonder tot den kok, die voor den Commandant, de officieren en de onder-officieren kookt. Men tafelt „achteruit" en in „het midden" later dan „vooruit". Ook de kok is maar een mensch en houdt er vriendjes op na. Het gebeurt dan wel, dat sommige baksels of potjes in overvloed gemaakt worden; er valt allicht wat af.
Bewaren kan hetzelfde zijn als bederven, vooral vroeger en op sommige oudere schepen, waar men, ook nu nog, niet zoo dik in de „verkoelingsmiddelen - zit. Het is daarom, dat men den kok wel eens de vraag stelt „of er nog wat te bederven valt. In het bevestigende geval kan de man, die deze vraag stelt op een extra vette hap rekenen. Men kent ook aan boord zijn pappenheimers.
wordt vervolgd..
steng02

Geen opmerkingen :