woensdag 24 april 2013

Schetsen en Humor 009

logo
hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
Tijdens de Fransche overheersching bleef de Jong in dienst, doch werd in 1799 met het te Den Helder liggende eskader door de Engelschen gesommeerd zich over te geven en als krijgsgevangene weggevoerd. Ik heb niet kunnen achterhalen op welke wijze de Jong weer in Nederland gekomen is, doch wel vertelde hij in een van zijn latere schetsen, dat hij zich vrijwillig naar Nederland begeven had en toen teleurgesteld werd in zijn verwachting weer op vrije voeten te komen.
In een van zijn brieven, van November 1784, zegt hij : ,Sedert mijn laatsten viel er niets van aanbelang voor. Ik schreef U in denzelven mijne aan boord komst en hoe het volk dagelijks in Zee- en Krijgsdienst oefent, welk leeren, van A.B.C. af, bij den aanvang van iedere reize plaats heeft. Het onaangename intusschen, dat het eentoonige van dit eeuwigdurend leeren veroorzaakt, wordt te meer lastig en verdrietig, doordien er geen vaste regelen in onzen zeedienst zijn en de eene Kapitein op deze, en gene zijn schip weder op eene andere wijze wil ingerigt hebben.
De bevelen door den Heer Bisdom aan mij tot de klaarmaking van de „Pollux" voorgeschreven, zijn zóó aanmerkelijk onderscheiden met die, door den kapitein Van Gennep voor de -Prins Willem" bepaald, dat welligt een Engelsch met een Hollandsch schip, niet meer zal verschillen als deze beide bodems, die evenwel niet alleen van eene en dezelfde natie zijn, maar daarenboven voor dezelfde Admiraliteit varen. Verdeeling van het volk, van de kooijen, den dienst, het geschut en voorts alle huishoudelijke schikkingen, alles is geheel en volkomen anders en dit maakt waarlijk een hoofdgebrek in den dienst van een volk uit, hetwelk zich onder de zeemogendheden telt.
Hartelijk dus is het te wenschen dat een der officieren eerlang de taek op zich neme en alles zoodanig regele, dat alle bodems, voor of tot welke Admiraliteit zij ook behooren, op dezelfde wijze ingerigt, verdeeld en bestuurd worden, waardoor de dienst, niet alleen ligter, gemakkelijker en eenvoudiger worde, maar daarenboven tot een graad van eenheid en orde klimmen zal welke dezelve in het tegenwoordig geval niet kan bereiken".
In dit streven naar een betere marine heeft de Jong in zooverre zijn zin gekregen, dat in den tijd, aan den Franschen Tijd voorafgaande, vele verbeteringen werden aangebracht, te laat echter — en in dit opzicht herhaalde zich de geschiedenis in de jaren 1939-1940 — om de Europeesche omwenteling van 1795 buiten onze landsgrenzen te houden.
Ik wil niet beweren, dat deze luitenant ter zee I e klasse Cornelius de Jong de eerste was, die marineschetsen schreef. Toen Jan Huigen van Linschoten zijn -Itinerario" schreef, zijnde een beschrijving van de „Voyage ofte schipvaert naer Oost ofte Portugals lndië van 1579 tot 1592" had hij zeker niet de bedoeling marineschetsen te leveren.
Vooreerst maakte de marine geen reizen naar Oost-lndië Dit gebeurde pas op 14 Maart 1783, toen een eskader van vier linieschepen en twee fregatten, onder bevel van den kapitein-commandeur Jacob Pieter van Braam, naar lndie ging om er het door de Oost-Indische compagnie verloren gezag te herstellen. Vervolgens was Jan Huigen van Linschoten niet in 's Lands zeedienst.
Er zijn honderden journaelen" geschreven van evenzoovele reizen; verhalende beschrijvingen echter, die met de -journalen- niets gemeen hebben en toch een aardigen kijk op de marine, het leven aan boord van de oorlogsschepen en de verhoudingen onderling geven, zijn er maar heel weinig. Je denkt misschien 't eerst aan Gerard Brandt; maar ik zou dezen beschrijver van „Het leven en bedrijf van den Heere Michiel de Ruijter," dat in 1686 — een jaar na zijn dood — verscheen, niet gaarne onder de schrijvers van marineschetsen rekenen.
Er liggen tusschen Brandt van 1686 tot de Jong van 1784 bijna 100 jaar. In zoo'n langen tijd zullen er wel eens marineschetsen gemaakt zijn; hoewel Belinfante zich er in 1845 over beklaagde, dat seders 1700 tot aan den slag bij Doggersbank in 1781 zoo weinig literaire belangstelling voor de zeemacht werd getoond. Trouwens, bij het eeuwfeest van de begrafenis van Michiel de Ruyter op 18 Maart 1777, had Bousquet in een lofrede op den zeeheld, in het Amsterdamsche genootschap ,Concordia" reeds opgemerkt :
"Zien wij ons niet in alle opzigten, alle betrekkingen der zeemacht dagelijks verslimmeren ? En was zal dus het verledene ons baten, indien wij ons daarop alleen kunnen beroepen ? Waar zullen wij eindigen, indien, nu berustende in voorheen verkregen eer en luister, wij over het tegenwoordig gemis daarvan, ons niet bekreunen ?" Ik heb trouwens in de vele gedichten, rijmkronieken en "volkspoëzy" weinig kunnen vinden, dat als schets over de marine van dien tijd — behoudens natuurlijk de vele liederen over gevechten met zeeroovers, belangrijke reizen naar Oost-Indië en schipbreuken — van eenige beteekenis was. Nu moet ik eerlijk zijn, en zeggen, dat ik gezocht heb naar speciale marineschetsen.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :