woensdag 8 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 122-123

Marine gewoonten en gebruiken
De korvijnagel moest bij het uitporren altijd te pas komen en bleef dan ook evenlang gehandhaafd als het uitporlied. Zoo ongeveer — want men nam de vrijheid nogal eens, gelijk dit ook vroeger het geval was, aan het uitporlied veranderingen aan te brengen — zong men in het begin van de 20ste eeuw, zelfs nog omstreeks 1912.
Soms, bij bijzondere gelegenheden, wordt het uitporren op de aloude wijze aan boord zelfs nu nog toegepast, doch dan alleen bij „overal" en met een toepasselijk uitporlied, om de bemanning at vast in de feestelijke stemming te brengen. Na het uitporlied wordt dan door de tamboers en pijpers de z.g. Fransche reveille geslagen en geblazen. Ook de adelborsten op het Kon. Instituut hidden zich soms 's Zondags aan deze gewoonte.
Wat het zingen betreft — en daarmede kom ik weer op 't uitgangspunt terug — dat doet de marineman nog steeds en veel, doch het liefst „uit de vrije hand", zoo voor de vuist weg en aangepast aan de sfeer van het oorlogsschip, dat in den loop der eeuwen weliswaar sterk gewijzigd is, doch dat nog altijd dezelfde zee bevaart, die dezelfde melancholische stemming brengen kan als eeuwen geleden.
Velen onder ons volk, dat in de laatste twintig, dertig jaren te veel van zijn marine was vervreemd, denken, dat de romantiek van den zeeman alleen in het verleden ligt. Maar wie den zingenden zeeman aan boord van onze oorlogsschepen beluisterde, weet, dat de romantiek ook thans nog een groot deel van het leven van den zeeman beheerscht.
Vandersteng kan daarover honderd uit praten, soms doorspekt met den humor van den marineman, die met zijn maats een zangvereeniging aan boord vormde, „het luchtkokertje" genaamd, dat alleen zong, als 't op den wind stond, of als hij vertelt van de buitenlandsche reizen, b.v. door de fjorden, waar de wondermachtige natuur je vastgrijpt en het groote hart van den zeeman stuwt tot zingen „langs berg en dal, klinkt hoorngeschal", dat opklatert tegen de vele masten-hooge rotsklompen en terugkaatst als een zilveren echo.
Of hij zal vertellen van de onvergelijkelijke momenten, die de tropenavonden geven, als hij met zijn schip onder het zicht van het Zuiderkruis vaart en de millioenen sterren wijdsch melancholische gedachten bij hem wekken. „Op een avond, nauwelijks vier jaar geleden", zoo vertelde hij mij, „waren we met een 'achttal schepen van onze marine ergens in een baai van het nauwelijks bekende Nieuw-Guinea.
Een papoeakampong lag verscholen tegen de glooiing. Op het vlaggeschip zou een filmvertooning gegeven worden. Stil en ondoorgrondelijk lag er het water, dat de schepen droeg en om de schepen heen trokken de papoea-prauwen rimpels in het oppervlak. Totdat de voorstelling in de open lucht zou beginnen.
Schepelingen van alle schepen zitten op de dekken, op de dekhuizen, op de kanons, op de bordessen, op de zoeklichten, op de raas en waar niet al. Maar dan ineens wordt 't één van die mannen — of waren het er meer — te machtig, een lied weerklinkt. Laat 't van „die mooie molen" geweest zijn of zoo iets.
Ik weet het niet meer en het doet ook minder ter zake. Maar dat lied grijpt ze allen, die daar op de dekken zijn, aan. Ze zingen mee; ze zingen allen mee en er klinkt ontroering in de stemmen, die trillen in den tropischen avond over het ondoorgrondelijk water en onder den overwelfden sterrenhemel. Zacht deinen de schepen; de papoea's liggen met hun prauwen roerloos.
Als het lied gezongen is, valt plotseling de stilte in. Er is niemand onder de vele honderden marinemannen op de dekken, die spreekt. Ze zijn met hun gedachten ergens, waar die mooie molen staat, of waar in 't bronsgroen eikenhout 't nachtegaaltje zingt. Als plotseling, vijf minuten over tijd, de lichtbundel van het filmtoestel op 't witte doek flitst, komen ze los. Ik weet niet meer wat 't voor een film was, maar die gemeenschappelijke zang op dien tropischen avond, vergeet ik nooit !"
blz 122 - 123. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :