woensdag 11 december 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 96-97

Marine gewoonten en gebruiken
Het voorbeeld der Nederlanders om staatsiejachten te 'bouwen werd in andere landen — waar men ze koningsjachten noemde - overgenomen. Weliswaar liggen tusschen deze beginperiode der jachten en de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1813, zoo ongeveer twee eeuwen, doch de gewoonte om jachten in de vaart te hebben, zij het dan slechts op bescheiden schaal werd door het Koninkrijk overgenomen en tot heden gehandhaafd.
Daarmede worden niet bedoeld de particuliere jachten, want daarvan zijn er in Nederland ook nu nog zeer vele, zoowel voor de zeil- als voor de motorvaart en niet alleen op de binnenwateren van ons waterrijk land, doch ook zeewaardige jachten voeren de Nederlandsche vlag. Dc goede naam, die onze Nederlandsche scheepswerven voor het bouwen van jachten reeds in de 17e eeuw hadden, hebben zij tot in onzen tijd behouden.
Nog voor enkele jaren werden te Aalsmeer een klein en te Bolnes een groot zeewaardig jacht gebouwd voor den Sjah van Perzie. De bescheidenheid, waarvan hierboven sprake is, betreft dan oak alleen de jachten der marine en de koninklijke jachten.
In het begin van de 19e eeuw waren nog enkele jachten, meer in het bijzonder als pleizierjacht, bij de marine in dienst. De minister van marine J. C. Rijk heeft ze, wegens bezuiniging in 1843 afgeschaft. De Koninklijke Marinejachtclub heeft daarna weliswaar het jachtwezen bij de marine, althans wat de zeiljachten betreft, gehandhaafd, doch deze Marinejachtclub is een particuliere instelling en de jachten zijn geen eigendom van de marine.
In 1826-1827 werd op de marinewerf te Rotterdam een koninklijk stoomjacht gebouwd, genaamd „Leeuw". De ontwerper was F. Klavimans Jr. Het was een raderstoomjacht met twee masten, doch zonder zeil. De afmetingen waren niet gigantisch, n.l. slechts 37 el lang, 5.7 el breed (de raderkasten niet meegerekend) en hol 3.1 el.
Het jacht had geen dekhuizen, de campagne lag slechts enkele voeten hooger dan het dek. De verlichting in het benedenschip werd verkregen door ovaalvormige patrijspoorten en dito koekoeken aan dek, terwijl in de spiegel langwerpige ramen waren aangebracht. Langs boord was fraai gebeeldhouwd lofwerk aan de scheg, de raderkasten, de spiegel en langs de kajuit.
In 1882 werd het „afgekeurde stoomvaartuig de „Leeuw" aan de opleiding voor leerlingen-machinist te Hellevoetsluis afgestaan en hebben zij met de „Leeuw" vastgemeerd gestoomd, en met lust en ijver en opgewektheid om beurten de diensten van stoker en machinist verricht". In 1892 werd het vaartuig voor sloop verkocht.
Ons tweede koninklijke jacht sedert het herstel van Nederlands onafhankelijkheid, was Zr. Ms. raderstoomschip 1e klas „Valk". Oorspronkelijk was het niet als jacht op stapel gezet, doch als oorlogsschip. Het was in 1863 op 's Rijkswerf te Amsterdam op de helling gegaan, tegelijk met de „Urania" en de „Java", alle drie : „schepen voor speciale bestemming".
De „Valk" was een houten raderstoomschip 1e klasse, lang 68 m, breed 9 m (doch gemeten over de raderkasten 11.5 m), diepgang 4.2 m, waterverplaatsing 1291 ton, machinevermogen 770 pk, snelheid onder stoom 12 mijl, bemanning 120 koppen. De bewapening bestond uit 6 kanons van 12 cm kort achterlaad.
In 1864 liep de „Valk" te water, om in 1865 in dienst gesteld te worden. Toen op 17 November 1869 het Suez-kanaal zou worden geopend, zouden Prins Hendrik der Nederlanden en diens gemalin Amalia daarbij tegenwoordig zijn. De „Valk" zou als koninklijk jacht dienst doen. Twee jaar eerder had ,het schip als zoodanig reeds dienst gedaan, toen Koningin Sophia een korte reis naar Engeland maakte.
blz 96 - 97. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :