zondag 29 december 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 116-117

Marine gewoonten en gebruiken
De kooien van het niet-wachthebbende kwartier waren meestal om half acht na het avondappe en kooien af, opgehangen en wie de hondewacht had wipte natuurlijk zoo spoedig mogelijk zijn hangmat in.
Als de provoost riep : „Keer het glas en luid de klok", dan werd de glazen zandlooper omgekeerd om een nieuw half uur uit to loopen, en sloeg de leerling acht glazen, d.w.z. gaf vier maal twee klappen met den klepel tegen den binnenwand van de scheepsklok, ten teeken, dat het acht uur was en de eerste wacht begon.
Een veel ouder lied voor het „wacht opzetten" luidde :
Hoort, mannen, hoort, van de wacht en van de straat,
Of de provoost zal geld of pand rapen;
Niemand drinke hem dronken van bier of wijn.
Het zal vanavond Prinsekwartier zijn.
Prinsekwartier houd goede wacht,
God verleen' ons een goeden nacht,
Een goeden nacht en goede vree,
Geluk en behouden reis daarmee.
Boven die zijn wacht het is, naar kooi die zijn beurt het is,
Luidt de klok,
Verlos den man aan het roer en den uitkijk.
Langer dan „wacht opzetten" heeft het „uitporren" bij de marine stand gehouden. Er wordt aan boord onderscheid gemaakt tusschen „overal" en „uitporren". Overal wil zeggen, dat men overal op 't schip moet opstaan.
Daarvoor blaast de schipper met z'n bootsmansfluitje een signaal, direct gevolgd door den tamboer en/of pijper, die op de trom of op den hoorn het signaal „reveille" geven.
Uitporren echter doet men het opkomende wachtkwartier; dat zijn zij, die de hondewacht of de dagwacht bezetten moeten. Om kwart voor twaalf gingen, op een fluitsignaal van den onderofficier van de wacht, de uitporders van de eerste wacht naar omlaag, gewapend met korvijnagels.
Deze korvijnagels werden langs de koperen schenen van den trapafgang in het volksverblijf gehaald, zoodat ze een roffelend geluid gaven. Daarop zongen de uitporders een lied, dat bijna zoo lang duurde als de tijd, die voor het uit de kooien komen en sjorren noodig was.
Het langste uitporlied is van omstreeks 1700. Scheurleer rangschikt het onder 1704. Het is sindsdien veel gewijzigd en ingekort en deelen ervan vindt men weer terug bij het lied voor „wacht opzetten". Dit uitporlied werd „Matrozen Gezang" genoemd. Het was in verzen ingedeeld en luidde aldus :
„Hier Zeilen wy met God verheven,
God wil ons de Zonden vergeven,
Onze Zonden zijn snood en kwaad;
God is ons Troost en Toeverlaat.
0 Heed Wilt dees Zee-Vaart dog Zeeg' ne,
Dat ons geen Onheil mag bejeeg'nen.
Behoed ons Schip en ons bewaart
In deze en de laatste Vaart.

't Kwartiers-Volk dat daar leid te Dromen,
Rust uit de Slaap wilt Boven komen.
Stuurmans kwartier komt uit in vree,
Geluk en behouwen Reis ook mee.
Een Zaalige Reis wil God verleenen,
Goed Weer en Wind daar by met eenen
Een klaar Gezigt en Voorspoed mee
Dan hier tot op een goede Ree.
blz 116 - 117. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :