maandag 23 december 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 112-113

Marine gewoonten en gebruiken
Want als de maats b.v. met aardappelen jassen bijeen zaten, of op de platvoet in melancholische stemming zich in het aanschouwen van de rustig voortrollende, zacht ruischende zee, de ondergaande zon of de maan en haar geburen de flikkerende sterren verdiepten, dan hadden de matrozen- of zeemansliederen weinig kans. Want dan zongen de maats — en het schip en tuig neuriede als 't ware mee — van het Vaderland of van actueele gebeurtenissen, zooals men tegenwoordig van „Schlagers" spreekt.
Soms kwamen er „geestelijke" liederen bij, als „er ruischt langs de wolken", niet zelden met verbastering van den tekst; of werden er „zoute" — tegenwoordig zeggen we : realistische — liederen gezongen. Bij dit alles pasten geen op marschmuziek getoonzette liederen. Dat vloekte met de sfeer van het oorlogsschip en den geest van den marineman.
Zelfs in de dagen — ze liggen nog niet zoo ver achter ons — van het socialistische lied, het strijdlied bij uitnemendheid voor de massa, hoorde men deze marschliederen zelden of nooit aan boord zingen.
Zoo er al liederen zijn, die de marineman bij voorkeur zingt, omdat ze „iets van hem zelf bevatten", dan zijn het veelal „eigen gemaakte", verbasteringen van bestaande liederen, waarin gedeelten veranderd zijn door onbekende auteurs uit de marine en waarin bepaalde marine-gebeurtenissen worden bezongen.
Voor publicatie zijn deze liederen niet altijd geschikt, ook al niet — ik laat andere overwegingen nu maar zwemmen — omdat ze een reeks van toelichtingen zouden vorderen om door buitenstaanders te worden begrepen. Bovendien slikt men gemakkelijker oude zeemansliederen, ook al zijn ze „zout", dan liederen die van den tegenwoordigen tijd gewagen. Is het niet zoo ?
Ik ben er van overtuigd, dat een lied over de werkloosheid van de vloot in 1782, n.l : „De Duyvel was myn wensch, mogt schelmsche Kindsberg haalen, En al zyn snood gebroet weg dond'ren in zyn nest", in dien tijd evenveel opspraak en de scheepsoverheid niet minder ergernis zal hebben gegeven, als een liedje, dat in 1918 aan boord van een onzer schepen in Oost-Indië gezongen werd — toen een deel der manschappen uiting gaf aan hun ongenoegen jegens de scheepsoverheid — waarvan ik de namen van de personen nu maar verander :
„We hebben Jantje-Pieter aan boord en Kees die staat aan 't roer; we hebben rooie rijst aan boord, geef die maar aan je moer !" Het eerste liedje slikt men thans gemakkelijker dan 't laatste, doch over 100 jaar zal men ook het laatste als matrozenlied wellicht in lijvige, statige bundels opnemen.
Min of meer officieele liederen waren die, welke aan de opleidingen voor matroos tijdens de zanglessen uit het blauwe boekje werden geleerd. Het waren vaderlandsche liedjes, die, zooals ik reeds zei, in de gemeenschappelijke zang op den bak of aan stuurof bakboordsloopplank — natuurlijk aan lij — tijdens reizen op zee of het verblijf in vreemde havens veel succes oogstten.
Dat zingen te beluisteren, zoo zei me eens een der opvarenden van de „Zilveren Kruis", die een wereldreis via Straat Magelhaes maakte, was wel het mooiste van den dag. Er waren altijd grapjassen onder de maats, die voor gingen in woordverdraaiingen, zooals in het lied „Levende bolwerk onzer kusten", waarmede de marineman bedoeld werd, doch waarvan de beteekenis wel eenigszins verloren ging doordat steeds inplaats van „onzer kusten" werd gezongen „van je zuster".
Met dit gemeenschappelijk zingen van de maats maakte men op vreemde kusten altijd een goeden indruk. In eigen havens werd er aan boord „voor het publiek aan den war natuurlijk nooit gezongen. Maar het geestige is, dat als de opvarenden van buitenlandsche schepen het in onze havens, naar oud gebruik, zooals ook wij in den vreemde, het wel deden, dan zeiden de Nederlandsche burgers in eigen land: „zooiets hoar je van onze marinemannen nu nooit. Ze kunnen bij onze marine niet zingen !"
blz 112 - 113. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :