donderdag 28 november 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 76-77

Marine gewoonten en gebruiken
Eerst daarna kan de bemanning doorgaan. Dit saluut, zooals de „Tromp" het in 1897 voor het Turksche gouvernement gaf, was een oud gebruik en het geldt nog voor elke haven over de geheele wereld — mits verwacht kan worden, dat het saluut wordt beantwoord.
Doch na dit aloude saluut, voerde de commandant van de „Tromp" een nieuw eerbewijs voor onze marine in, dat niet in de oude voorschriften bekend was en waarover de opvarenden van het ook ter reede liggende pantserschip „Piet Hein" en de opvarenden van de ter reede liggende vreemde oorlogsschepen, zich niet weinig verbaasden.
Bij het passeeren van elk schip stond de wacht op het achterschip aangetreden en presenteerde het geweer, terwijl de zich aan dek van de „Tromp" bevindende personen „front maakten naar bakboord" of stuurboord, althans aan die zijde waar men het andere oorlogsschip passeerde. Dit nieuwtje werd door alle ter reede liggende schepen overgenomen en later op alle schepen van onze marine ingevoerd.
Toch was deze wijze van „plichtpleging aan de vlag van een bevriende natie" geen vinding van den commandant van Hr. Ms. fregat „Tromp". Hij had ze enkele dagen tevoren waargenomen, toen Engelsche oorlogsschepen te Suez en te Port Said dit ceremonieel gebruikten, toen de „Tromp" op zijn thuisreis hen passeerde.
In 1652 verscherpten zich de verhoudingen tusschen Engeland en Nederland. „De luisterrijke zegepraal vooral, welke het gemeenebest in de kolonien en ter zee ontwikkelde", zoo verhaalt de Jonge, „werd door Engeland sedert lang met leede oogen aanschouwd en had bij hen wangunst verwekt.
De luisterrijke zegepraal vooral, welke door de Nederlanders onder het bevel van den manhaften Tromp op hunne kusten, onder het geschut der kasteelen van Duins, in de tegenwoordigheid van eene Britsche vloot en in spijt der Engelsche Staatsdienaren, op de Spaansche zeemagt was behaald, had hunne harten met wrevel vervuld en den wensch doen ontstaan, om zich over die zoogenaamde beleediging te wreken, en de Nederlanders te ontzetten van het overwigt, dat zij sedert deze overwinning ter zee bezaten.
Tot dit laatste werden zij ook aangespoord door de denkbeelden omtrent het regt der souvereiniteit over de zeeen, die Brittanje omringden, volgens welke, naar zij beweerden, het gebied in die zeeen aan den Koning van dat rijk uitsluitend toebehoorde en de overige volken verpligt waren, aan hem eere te bewijzen en van hem verlof tot het daarvan gebruik maken, met name tot het uitoefenen der visscherij, te vragen en te bekomen.
Deze vermeende regten werden thans door de Britten uit overoude gebruiken en gewoonten afgeleid. Zoo lang de Britsche zeemagt onder de regeering van Koningin Elisabeth een zekere ontwikkeling had verkregen, begon men op de erkenning dier aldus genaamde regten aanspraak te maken, doch het was voornamelijk ten tijde van Koning Jacob en Karel den Eersten, dat de Britten openlijk op de eerbiediging dier regten begonnen aan te dringen en de hulde der overige volken te vorderen."
Reeds meermalen had een en ander aanleiding gegeven tot ernstige geschillen tusschen Nederland en Brittanje. Ten aanzien van de visscherij was echter reeds een minnelijke schikking getroffen, doch wat de hulde betrof, welke de Koning van Groot-Brittanje, als Souverein van de dat rijk omringende zeeen, voor zijn vlag vorderde, deswege hadden de Nederlanders geenszins het recht van dien monarch erkend.
Zij meenden de gewoonten te moeten handhaven, die onze schepen in 1639, 1642, 1643 toepasten, zooals in de journalen van Tromp te zien is. In 1642 n.l. begroette Tromp den Britschen admiraal op de ree aan een haven ergens in Engeland met zeventien schoten, welke deze met vijftien schoten beantwoordde.
Onze scheepsbevelhebbers aanvaardden dit, niet omdat zij de heerschappij ter zee door de Engelschen erkenden, doch omdat naar het gebruik dier dagen een republiek achter stond bij een Koninkrijk.
blz 76 - 77. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :