zaterdag 6 juli 2013

Schetsen en Humor 129

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Toen de mobilisatie in Augustus 1939 afkwam, werd, zooals algemeen bekend is, een begin gemaakt met het versperren der zeegaten langs de Nederlandsche kust door mijnenvelden. En zoo kreeg de divisie mijnenvegers, waartoe ook Hr. Ms. ,,Jan van Gelder" behoorde, de opdracht, het zeegat van Terschelling dicht te gooien, wat dan ook begin September volbracht werd.
Door een onvoorziene omstandigheid moest echter kort daarna een doorgang in het door ons gelegde mijnenveld geveegd worden. Tijdens dit werk leed onze divisie, die uit vier schepen bestond, haar eerste verlies. Hr. Ms. „Willem van Ewijck" is, bij het in den grond schieten van een mijn, zelf op een mijn geloopen en daarbij vergaan.
Slechts weinigen hebben deze ramp overleefd en velen van jullie zullen de verhalen wel gehoord hebben van den Sergeant-Adelborst W. Moreaux, die door toeval in leven is gebleven.
De ramp, die de bemanning van Hr. Ms. ,,Willem van Ewijck" getroffen had, maakte ons bewust van het gevaar, dat ook wij iederen dag liepen, en dit wekte bij de bemanning een gevoel van angst op. Wij zagen er tegen op, weer naar Terschelling te koersen.
Eenige dagen na de plechtige begrafenis van de aan hun verwondingen overleden leden der bemanning van Hr. Ms. „Willem van Ewijck" inspecteerde H.M. Koningin Wilhelmina de in Den Helder liggende vlooteenheden, en bij deze gelegenheid werden wij, leden van den mijnenveegdienst, persoonlijk aan Haar voorgesteld. Het gevoel van angst verdween. Wij wisten en voelden, waarvoor wij vechten en ons leven veil hebben.
Het was Zaterdagavond, toen wij hoorden, dat de volgende dag, Zondag, weer een veegdag zou zijn. Om half zeven zou er ,,overal" gemaakt worden en om acht uur moesten de sloepen ,,Los" zijn van het schip en dit volgen, zoodra de ankers gelicht waren, naar het mijnenveld.
Er zou dien dag geveegd worden met de groote schepen, op zoek naar de laatste mijn, die den doorgang belemmerde. Ik geloof dat het no. 839 was, maar zeker weten doet niemand het, want er waren veel mijnen losgeslagen en in den grond geschoten, zonder dat de nummers gecontroleerd konden worden.
Tegen half tien kwamen we ,,boven het veld" en gingen we over tot het tenue ,,zwemvesten". Ook aan boord van Hr. Ms. jan van Gelder" en „Abraham van der Hulst" waren reeds de noodige voorzorgsmaatregelen genomen, als het sluiten der waterdichte schotten en het verbod om benedendeks te komen voor allen, behalve het wachthebbende machinekamer-personeel. Aan boord droeg een ieder een zwemvest.
Zooals zal blijken hebben vele, zoo niet alle geredden, hun leven aan deze voorzorgsmaatregelen te danken. Tijdens alle veegmanoeuvres bleef Hr. Ms. ,,Abraham van der Hulst" aan den buitenkant, en Hr. Ms. ,,Jan van Gelder" aan den binnenkant van het mijnenveld.
Nadat de zware veegkabel overgegeven was, werd met het eigenlijke veegwerk een aanvang gemaakt. Wij, die de sloepen bemanden, namen dezen dag geen deel aan het veegwerk en hadden order gekregen, om ons aan de zuidzijde van het mijnenveld op te houden en ons op het afgesproken sein, het hijschen van den kerkwimpel vanaf Hr. Ms. „Abraham van der Hulst", in kiellinie achter Hr. Ms. ,,Jan van Gelder" naar de ankerplaats te begeven.
Gedurende den morgen maakten de beide schepen vijf „runs" over het veld, zonder eenig resultant. Wel schoten de slipinrichtingen eenige malen los, maar dat kon gebeuren doordat een stuk van het wrak van Hr. Ms. „Willem van Ewijck” in het tuig kwam. Zoo tegen kwart voor twee kwam het afgesproken sein vanaf het seindek van Hr. Ms. „Abraham van der Hulst".
Duidelijkheidshalve zal ik trachten een beeld van de situatie der beide schepen op dat moment te geven, Hr. Ms. „Abraham van der Hulst” lag aan de zuidzijde van het veld en kon zich dus dadelijk naar de ankerplaats begeven. Hr. Ms. ,,Jan van Gelder" lag echter aan den noordkant, den zeekant, van het veld en moest via den geveegden doorgang over het mijnenveld heen naar de ankerplaats varen.
Schuin voor mij was Korporaal-Adelborst H. Brakema met zijn sloep bezig, een boei aan boord te nemen. De beide andere sloepen, bemand met matrozen en een kwartiermeester, wilden zich naar Hr. Ms. „Abraham van der Hulst" begeven, waartoe zij zich bij mij voegden. Intusschen kwam Hr. Ms. ,,Jan van Gelder" met éénmaal volle kracht over het mijnenveld en moest nog een dertigtal meters langs den geveegden doorgang afleggen.
Toen plotseling een doffe knal, en onmiddellijk daarop zag ik aan S.B.-kant van het achterschip een vuurverschijnsel en een geweldige waterfontein. Stukken van het schip werden de lucht in geslingerd en ik geloof, dat tusschen al die stukken ook lichamen waren.
De gedachte schoot mij door het hoofd : de ,,Jan van Gelder" is op een mijn geloopen," dus mijn eerste impuls was dan ook ,volle kracht vooruit", maar onmiddellijk nadat ik het bevel gegeven had, drong de onuitvoerbaarheid daarvan tot mij door, want overal vielen de wrakstukken om ons heen in het water.
Wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :