woensdag 26 juni 2013

Schetsen en Humor 111

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Zoo waren de reacties van Nederlands marinemannen op Van Heutsz' proclamatie; het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Die offerzin was het antwoord op 's generaals woorden : ,,Gaat naar buiten. . . en keert niet weer !" officieel nooit neergeschreven, maar wel degelijk gesproken en begrepen !"
En Van Everdingen ? De man van vóór den mast, met in ,,klassenstrijd"-marineschetsen ? Een klein trekje maar, zoo intens fijn, zoo kameraadschappelijk groot, dat ik 't hier beslist citeeren moet.
Op een klein scheepje, de ,,Zeehond", terugkomende uit de Turksche wateren, staat de „Blazer" als roerganger op de brug. Het is nacht en slecht weer, een razende storm vliegt langs 't schip. Vier uur achtereen bijna staat de officier van de wacht op de brug. Zoo nu en dan wordt er een woord gewisseld. Te midden van den storm voelen beiden behoefte aan elkanders stem, boven het geloei uit. „Weet je waar ik nou wel trek in heb ?" Vreemd lichten de donkere oogen van den officier in de blauwe kijkers van den jongeman. En zonder dralen de gedachten van zijn superieur radende, klinkt 's roergangers antwoord : ,,Ik wed, in een sterke kop koffie". Nu brult hij niet meer — hij denkt nu alleen aan den man naast hem, hij op deze brug, in het donker, op een klein schip in zee, dat zoo vreeselijk te keer gaat.
Bliksemsnel gaan de gedachten door zijn brein : een ontredderde gamelle hut, een overhoop liggende longroom, zieke en half zieke collega's, een buiten dienst gestelde hofmeester... als deze gezonde man zich zelf niet helpt af en toe, komt hij tekort... hij, de matroos is reeds jaren gewend aan het leven vóór den mast, wéét niet beter, maar gewoonlijk kon de wachtdoende officier zich in de vier uren van zijn turn, nog wel eens wat laten brengen. Daar is thans geen kijk op... De Blazer neemt een besluit en vraagt spontaan aan den officier, zijn open blik tot de grootere gestalte opslaande :
,,Wilt u het roer een poosje houden mijnheer, dan zal ik eens zien of 'k omlaag wat voor elkaar kan boksen — ja ?" Nu geeft de officier zich óók gewonnen.
„Hoe wil je dat doen, beste jongen, 't lijkt een heksentoer in den nacht, met dit weer ? Maar... goed, ga je gang, doch als je iets merkt dat niet in den haak is, vlieg je naar de brug, hé ?"
En Blazer daalt de brugtrap af, zich stevig grijpend aan de koperen leuning. Aan dek weet hij den weg blindelings naar de longroomtrap, doch hij is kletsnat geslagen, vóór hij de dicht geschoven kap bereikt. Hij wrijft het zeewater even met de mouw van zijn jekker uit de oogen en haakt de kap los. In open stand zet hij deze vast, doch sluit de deurtjes uit voorzorg achter zich en daalt voorzichtig de trap af, schuift de deur der gamellehut open en draait het licht aan.
,,Ziezoo, nu kunnen we zien wat we zeggen", mompelt de Blazer. Hij pakt den koffiemolen uit de kast en treft het dat er nog voldoende koffieboonen in zijn voor een „sterk bakkie". Daar schijnt het opééns of het regent — een zeetje overdwars, verstuift over het trapgat, het dek in de hut is nat, dus zet Blazer zich op den aanrecht met de voeten schoor tegen den hutwand. Zóó kan hij geen salto's mortale maken.
Onder het malen snuift hij met welgevallen den geur van de versche koffie op. Het laadje met koffie houdt hij nu tusschen de knieën gekneld, de molen zet hij naast zich neer ... doch deze vliegt, als er een danssprong door het schip uitgevoerd wordt, met volle vaart uit de hut, het portaaltje in.
Nu de groote toer : water maken. De snelkoker is gister nog gebruikt — weet hij — en er zit nog spiritus in óók — -je moet maar boffen", zegt Blazer hardop, dan stopt hij even, meende gerucht te hooren, het is echter de luidruchtige slaap van den dokter.
Tuschen zijn baaien hemd haalt hij lucifers uit, die echter niet heel droog meer zijn, doch na eenige vergeefsche strijkjes, heeft hij vlam en nu komt de goocheltoer.
De koffielade tusschen de knieën, de snelkoker tusschen boord en lichaam, de handen dus vrij om het keteltje, dat onder zijn bereik aan den haak hangt, te grijpen. Als hij zich voorover buigt, kan hij juist hij den kraanketel, die met een beugel boven de aanrecht vast zit, en kan hij eenige koppen water in den ketel laten loopen.

Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :