dinsdag 11 juni 2013

Schetsen en Humor 085

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
Ziende wat ik nu zie, denk ik terug aan een haal van Uitdam naar Broek in Waterland, tegen een storm uit het Westen in, toen in Uitdam de boeren aan den kant ons vieren jongens hoonden : ,,dat haal jullie niet !" Dat we toen zonder ophouden twee en een half uur roeiden en het wel haalden, vonden we toen, jongens van vijftien en zestien jaar, al heel wat. Maar hier roeien ze nu al negen uur aaneen met slechts korte tusschenpoozen rust ! Vijf uur. Van Pelarang nog altijd niets te zien. Dat er ook ongeveer niets is, dus weinig te zien, al ben je er dicht bij, is mij niet bekend.
Wij zijn nu de Gosong Boeaja (krokodillenbank) voorbij, zonder zelfs de afwisseling te hebben een kaaiman te zien. Misschien zijn ze aan hun theewater evenals aan boord nu. Wij houden ons daarvoor niet op; het zou te veel tijdverlies geven; een ieder is er mede gebaat straks na aankomst rustig te kunnen eten, zonder nog eens weer dadelijk na een maaltijd op ,,geforceerden trek" te worden onthaald.
Het vordert maar slecht nu. Was er maar een jaagpad ! Dan zou het we] beter gaan; maar van een weg geen spoor, niets dan takken en bladeren, boomstronken en wortels. Het is zes uur geweest, de zon is onder en van Pelarang nog niets te zien, tot het, snel genoeg, donker wordt; dan verschijnt er een schraal lichtje, vrij dichtbij; de loods beweert, dat dat Pelarang is.
Nu kan men nog slechts aan de schimmen van de boomkruinen tegen de lucht nagaan of wij vooruitgaan, en het lijkt er nog minder door. Dat zal het in werkelijkheid ook wel zijn, want het ruischen van het water langs de oneffenheden van den wal schijnt nu sterker te zijn. Nu zou ik toch zeggen, dat de fut er wel merkbaar uitgaat. Toch voel ik iets als schaamte om de menschen, die zich zoo hebben uit, gesloofd, nog aan te moedigen, ik, die het in hun oog gemakkelijk genoeg heb gehad, al voel ik dan zelf mij stijf van het lange afwisselende zitten en staan.
Ik krijg een inval. Met den kwartiermeester, op wien ik voor dezen tocht voornamelijk voor de conversatie aangewezen ben — de loods is iemand, waar niet veel geluid uit te krijgen is — tuig ik een praatje op, hoorbaar genoeg, waar er in de avondstilte geen ander geluid is dan het rhythmisch gestommel en geplas van de riemen. Ik wijs hem er op, hoe goed onze commandant het heeft ingezien om geene inlanders als roeiers op de sloep te zetten, omdat die misschien wel even lang hadden kunnen roeien, maar we dan zeker nog niet hier zouden zijn en vooral, omdat ze, als het er op aankomt, zoo weinig geneigd zijn om energie te ontwikkelen.
-Al is het nog maar om een halve mijl te doen, en je roeit den stroom net dood, ze zullen eerder nog twee uur ,,op de plaats rust" doorplassen om ten slotte den geheelen nacht voor dreg te liggen dan die laatste halve mijl den stroom mores te leeren om het doel te bereiken !"
Een minuut later — ze begonnen er al een schepje op te gooien — zeg ik tegen de roeiers : ,,Jongens, het gaat er om, hoor ! Als je kans ziet, om er nog een twintig minuten lang een sneltrein van te maken, zijn we d'r; met dit gangetje hebben we nog wel twee uur werk". Waarop een van de slagroeiers : ,,Vooruit jongens, sneltrein !" En daar gaat het; de boomen aan den wal verliezen het zienderoogen.
Met de twintig minuten gaat het als met het ,,klein ketiertje" van de boeren, het duurt drie kwartier vóór we er zijn, en al dien tijd schiet de langs den wal kruipende sloep door het water alsof er een versch stel roeiers op zit. Precies ten zeven ure, twaalf uur na het vertrek van boord, wordt Pelarang bereikt. Van de afgelegde 36 zeemijlen hebben de laatste 11,5 zes uren gevergd.
Aan den kwartiermeester gaf ik een rijksdaalder om in een warong wat voor de bemanning te koopen. Dat er een is, kunnen we ruiken, al zien we niets. De kruisboot, waarachter wij vastmaken, zal den menschen tot logies dienen; zelf kom ik bij den assistent-resident onder dak. Geplakt als zijn huis daar ligt tegen de rimboe van den oever, vormt het met een dertigtal armzalige, verspreide hutjes van inlanders heel Pelarang.
Verder — die zie ik den volgenden dag —is er niets dan op korten afstand een kuil in den grond, de kolenmijn; zelfs geen begaanbaar pad.
De komst, enkel van een sloep, is voor den assistent-resident en zijne echtgenoote een teleurstelling. De schepen kwamen anders zelf voor Pelarang en dat gaf dan een dag vertier. Ik kan die teleurstelling begrijpen, als dien avond mijne vriendelijke gastvrouw met een klank van tranen in haar stem vertelt, hoe verlaten zij als eenige Europeanen hier zitten, en hoe bitter melankoliek zij den dag van haar aankomst, en nog lang daarna, is geweest, toen zij in tien minuten al de ellende van zóó'n woonplaats overzien had.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :