donderdag 25 april 2013

Schetsen en Humor 011

hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
Ik trachtte dus de koopvaart van de zeemacht te onderscheiden en dat is tot het herstel van Nederlands onafhankelijkheid in 1813 niet zoo eenvoudig, omdat de scheidingslijn tusschen koopvaart en 's Landsdienst vóór dien niet zoo scherp getrokken werd als daarna. Overigens was er dit onderscheid we]. De Jong vertelde ergens in een van zijn schetsen het volgende :
,,Wij zijn hier, evenals te Malaga, zonder konvooy binnen gekomen, daar de eenige koopvaarder, welke wij met veel moeite en oppassing, in het aanhoudend slecht weer nog behouden hadden, (voorzeker geenen zin hebbende om hier binnen te loopen) op een zeer onbeleefde wijze zonder ons vaarwel te zeggen, of te bedanken, zijn reize heeft voortgezet en weggezeild is. Men vindt toch waarlijk onder onze koopvaardijschippers, vrij ongeschikte menschen !"
Als Betje Wolff op 30 Mei 1766, in navolging van Constantijn Huygens' ,,Scheepspraet, ten overlijden van Prins Maurits van Oranje," haar „Nieuw scheepslied" maakt, ter eere van Willem den vijfden, bij gelegenheid van zijn installatie als heer van Vlissingen, dan heeft zij in dit lange gedicht ongetwijfeld meermalen ook haar gedachten op, de zeemacht gericht.
Wakker, lustige Matrozen !
Daar wordt reeds 't Kanon gelost
Hum ter eere die is verkoozen
Over-a-l ! elk an zen post,
Aan de valre-ep ! vat die touwen
Hou zee ! — hou zee ! zingt nu voort
Wilhellemus al v-a-n Nassouwen;
Schipper Wullum is an Boord.
Deze schrijfster liet zich trouwens ook hooren, toen de vierde Engelsche oorlog in 1780 uitbrak : maar ik zal haar niet verder citeeren, omdat ik, nu we 't over marineschetsen hebben, geen strijdliederen of zeeslagen bespreken wil. Ik kom dus in 1784 weer bij den luitenant ter zee le klas Cornelius de Jong aan boord. Aan boord van het linieschip -Prins Willem" en ik zal enkele bijzonderheden citeeren om een indruk te geven van then tijd.
Vanuit Malaga schreef hij in Juli 1784 :
„Twee onzer matrozen, van die zonde beschuldigd welke in het Oosten zoo zeer in zwang gaat en waarmede meest alle de Turken besmet zijn, — ik veronderstel dat de Jong sodomie bedoelde — hebben wij in Toulon in krijgsraad moeten trekken. Ik was een der leden van dezelve, en daar er niet meer dan eene verregaande tentame en dus niet de daadzaak zelve, bewezen is, zijn zij veroordeeld geworden, om met de strop om den hals, driemalen aan bakboordszijde van de ra te vallen; den oudsten met 150 slagen, en den jongsten met handdaggen, ter discretie van commissarissen, waartoe men den Kapitein Van Halm en mij verkozen heeft, te worden afgestraft; en voorts op onderscheidene plaatsen, met de strop om den hals, aan den wal gezet te worden.
Het van de ra vallen en het laarzen kent gij en geen verandering had daar omtrent plaats, behalve, dat er nu geen lood ter spoediger zinking aan de voeten was. Des avonds voor wij van Marseille vertrokken, heb ik den eenen, in mijn hoedanigheid als commissaris, aan den wal doen brengen, hetwelk op deze wijze plaats had :
Na dat aan hem aan boord de strop om den hals gedaan was, moest hij op de voorstevens van de sloep, die om hem in te nemen, aan bakboordszijde gelegd was, met de beenen buiten gaan zitten, en toen wij den wal zoo digt genaderd waren, dat de riemen grond konden slaan, gaf ik het bevel, waarop de voorste sloeproeijer hem van boven neder in het water schopte.
Tot dusverre was alles wel gegaan, maar thans had ik moeite en al mijn gezag noodig om het volk te beletten, dat zij hem niet dood sloegen, zoo groot was de verbittering. Hij zwom naar land, en klom tegen de klippen op, zonder een woord gesproken te hebben. Op deze wijze ontdoen wij ons van uitvaagsels."
Overigens geeft De Jong in zijn schetsen eenige mededeelingen, die op het personeelsvraagstuk betrekking hebben. Te Toulon liggende stierven twee man. ,,Thans," zoo vertelde hij, „zijn wij gereed om naar zee te zeilen; de twee dooden die wij hier gehad hebben zijn door twee Fransche vervuld, dat hier gewoonlijk nog al gemakkelijk gaat."
Maar dat het aan boord hebben van matrozen van vreemde nationaliteit ook wel dus tot moeilijkheden aanleiding gaf, bleek te Lissabon, waar het geheele schip aan den ketting gelegd werd, omdat „een onzer matrozen Juan Martines, die een Portugees is, opgeëischt werd; maar daar wij hem van morgen al dadelijk en zelfs zeer tegen zijnen wil, aan den wal hebben gezet, hadden wij ook gedacht, dat alles daar mode zoude zijn afgedaan geweest."
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :