dinsdag 23 april 2013

Schetsen en Humor 007

hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
Nooit heb ik meer en edeler verontwaardiging gevonden tegen een dergelijke classificatie, dan in het goede woord, dat de kapitein ter zee S. P. I'Honore Naber, die eenige jaren commandant was van de matrozenopleiding te Hellevoetsluis aan boord van de „Van Galen" en ,Buffel", vastlegde in een vlammend en goed gedocumenteerd geschrift, waaruit bleek, dat de marineman geenszins gerecruteerd word uit de laagste klasse der samenleving. Dat was in 1913 !
En in 1938, ja, ook nu nog, kan men waarnemen, dat er nog heel wat verouderde en onjuiste begrippen omtrent den marineman bestaan. In 1921 begon Vandersteng zijn strijd tegen de verouderde en onjuiste opvattingen betreffende den marineman, die hardnekkig blijven voortleven. "Ik geef toe," had hij me eens gezegd, "dat we zelf niet geheel onschuldig zijn aan het voortbestaan van deze dwaasheden. We hebben er ons te weinig tegen verzet. We hebben ze aan den wal maar laten kletsen en de een is den ander blijven napraten. Ik weet wel, dat het voor den actieven marineman bezwaarlijk is voor zichzelf reclame te maken, doch er zijn voldoende instanties, die het contact tusschen burgerij en marine kunnen bevorderen. Maar doe 't in 's hemelsnaam niet kinderachtig ouderwetsch !"
Gedurende een van de weinige oogenblikken, dat ik den matroos le klas Vandersteng na den Mei-oorlog 1940 zag, sprak ik hem over marineschetsen en -humor, in aansluiting op marinetermen, marinegewoonten en -gebruiken, die ik met zijn medewerking had kunnen verzamelen. Vandersteng keek mij van uit de hoogte, niet zonder wantrouwen, aan. "Marineschetsen en marinehumor ?" vroeg hij, en zijn stem vertolkte nog meer dan zijn gezicht, dat hij mij maar half vertrouwde. jawel," zei ik, herhalend : "Marineschetsen en marinehumor."
Zonder iets te zeggen schoof hij me een krukje toe en ging zelf op 'n verlaten stoel zitten. De uitnoodiging was duidelijk genoeg. Het scheen mij toe, dat Vandersteng z'n geheugen afzocht, doch daarvoor niet meer tijd noodig had, dan we gebruikten om te gaan zitten. "De luitenant ter zee 2e klasse Cornelius de Jong," aldus begon Vandersteng, ,diende in 1783 aan boord van 's Lands schip Mars" onder bevel van den schout-bij-nacht Krul met den kapitein-luitenant ter zee Van Halm als vlaggekapitein..."
"Zoo ?” deed ik verwonderd, want ik begreep niet, wat dit te maken zou hebben met schetsen, die ik verwachtte. "Niet soms ?", vroeg Vandersteng gebelgd. "Ik weet 't niet," haastte ik mij te zeggen. "Nu dan," vervolgde Vandersteng, alsof ik maar te zwijgen had..., "schip en opvarenden waren door de Engelschen aangehouden en men had zich zonder veel tegenweer overgegeven.
Op 20 Mei 1784 werd de vrede tusschen de Vereenigde Republiek en Engeland gesloten en de schepen, waaronder ook de "Mars", met de bemanningen, uitgewisseld. De Engelsche commissarissen gaven op 24 October 1784 een onderteekende verklaring af, dat alle Hollandsche officieren, welke door de wapenen van Zijne Brittanische Majesteit zijn krijgsgevangen gemaakt en hun woord van eer hebben gegeven van niet weder voor een behoorlijke uitwisseling in dienst te zullen treden, van hetzelve woord te zijn ontheven en thans in vrijheid gesteld om opnieuw te kunnen dienen".
Cornelius de Jong moest, met de overige opvarenden van de "Mars", voor den Hoogen Zeekrijgsraad onder vice-admiraal Van Reinst verschijnen en kreeg niet alleen een volkomen "absolutie of vrijspraak", doch werd tevens — hij was toen 22 jaar — als eerste Luitenant ter zee aangesteld aan boord van 's Lands schip "Prins Willem". De Jong heeft over zijn belevenissen aan boord in de periode 1784-1785 een aantal brieven geschreven, die in 1807 — we zaten toen midden in den Franschen tijd — bij Francois Bohn te Haarlem in druk verschenen.
Er was toen blijkbaar veel behoefte aan lectuur over de marine, zooals ook thans, nu Nederland bezet gebied is, het verlangen naar de oude getrouwe marine levendig is. Natuurlijk rept De Jong met geen enkel woord over den staatkundigen toestand, waarin Nederland zich in 1807 beyond. Want zijn brieven zijn van 1784 1785 en bevatten dus bijzonderheden van reizen die voor den Franschen tijd gemaakt werden. Ja, ik moet eerder zeggen, dat ze veel meer gericht waren op het scheppen van een zuiver Nederlandsch karakter van de marine, los van Engelsche, doch ook los van Fransche invloeden, die zich bij de marine van dien tijd openbaarden.
In de "Marinegewoonten en -gebruiken" heb ik trouwens reeds opgemerkt, dat buitenlandsche invloeden al spoedig werden uitgesneden, als de marine haar taak voor de Vrije Nederlanden hervatten kon.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :