maandag 22 april 2013

Schetsen en Humor 005

hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
De matroos le klas Vandersteng keek mij van uit de hoogte, niet zonder wantrouwen, aan. Zijn groote, blauwe oogen werden overschaduwd door zijn hoog opgetrokken wenkbrauwen; zijn hoekige kin hield hij ietwat teruggetrokken naar zijn pezigen, ruw-rood gekleurden hals, die omsloten werd door zijn wit-blauw gestreepte frokje en zijn braniekraag, die hij nog altijd zwierig droeg. Op z'n rossige haren hield zijn matrozenpet met zestien letters, stand, ondanks alles.
Wel zag ik hem zelden den laatsten tijd. Vroeger.... in den normalen, doch staag voortschrijdenden tijd, waarin iedereen het druk had met zichzelf, en weinigen er aan dachten, dat Vandersteng en zijn maats ooit nog eens actief zouden moeten optreden, had ik meermalen de gelegenheid hem te ontmoeten. Dan kwam ik bij hem aan boord, vond hem aan dek, op den bak of in het logies, bleef er, onder het genot van een kouwe pijp uit de toko, gezellig zitten babbelen en leerde hem zelf en zijn maats en daardoor de marine kennen.
Toch bleef Vandersteng voor mij altijd een wonderlijke kerel; een beetje eigengereid weliswaar, zoodat buitenstaanders wel eens den indruk kregen, dat er iets bekrompen in zijn doen en laten lag, maar in wezen toch een ronde kerel, open en eerlijk, met een vlot, kameraadschappelijk karakter. Wonderlijk is 't, dat hij vooruit en achteruit even goed bekend is als in den vetput, en dat hij van zijn maats, van de stokers en van de mariniers met evenveel gemak en kennis van zaken vertelde als van den gouden bal en de longroom, alsof hij jarenlang in vele en veelsoortige functies aan boord gediend had.
Bekrompen scheen zijn eigengereidheid, omdat bij hem de marine voor alles ging, de marine, die nooit voor eenig politiek stelsel, nooit voor eenige groep regeerders, doch altijd voor het Vaderland optrad en wil blijven optreden. Diezelfde eigengereidheid is oorzaak, dat onze marinemannen nog altijd de wereldzeëen bevaren en dat ze die — onder welke omstandigheden dan ook — altijd zullen blijven bevaren ! Vandersteng kan soms wel een tikje geleerd doen en schoolmeesteren. Maar dat is in feite onze schuld. Omdat we ten opzichte van de marine soms zoo hardnekkig dom kunnen doen.
Vandersteng vertelde mij, dat eind 1941 — Let U even op den datum", vroeg hij me nadrukkeIijk — „een groote landelijke vereeniging tot afschaffing van alcoholhoudende dranken een ,,geschrift wilde uitgeven en daarin gaarne een afbeelding opnemen betreffende den gebruikelijken oorlam op de vloot." Men wist niet eens — Vandersteng gebruikte een ,,zout" woord, dat U gerust hooren mag — dat de verstrekking van den oorlam aan boord reeds in 1846, bijna 100 jaar geleden !, werd beperkt tot de meerderjarigen en dat deze geestrijke, echt Nederlandsche borrel, sedert 1895 niet meer aan de manschappen wordt verstrekt, noch aan boord door hen mag worden bewaard, gekocht of gedronken. Waarmede ik maar zeggen wil," zoo ongeveer zei Vandersteng mij, ,,dat buitenstaanders zich van de marine nog altijd een voorstelling maken, die met de werkelijkheid niet meer overeenkomt."
Als je oppervlakkig met Vandersteng in aanraking komt, krijg je nog sterker den indruk van eigengereidheid. Zijn soms geleerde uiteenzettingen doen wel eens denken : -Waar haal je dat nu weer vandaan, ouwe jongen ?" Ik heb in December 1938 een collegajournalist uit de hoofdstad, hoofdschuddend over zooveel geleerdheid van Vandersteng, hooren zeggen : ,,Een matroos, die verhandelingen houdt over de cultureele taak van de marine in vredestijd, over kompas, sextant, logarithmentafel en zeekaart, die het heeft over de marine, welke het terrein van de exacte wetenschap betrad voor het oplossen van tal van vraagstukken in de zeediepte en van den zeebodem, spreekt niet pathetisch als een oude catechiseermeester, maar behoort als leeraar aan de hoogere marinekrijgsschool."
Deze collega had in wezen dezelfde foutieve opvatting van den marineman als het kamerlid mr. Mendell, die bij de behandeling van de marinebegrooting in 1913 de vraag stelde : „Wat zijn die menschen, die marinematrozen ?" en deze vraag in de volksvertegenwoordiging aldus beantwoordde : „Het zijn de meest arme proletariers, jongens die op hun 13e jaar in het dienstverband worden opgenomen, later, ik meen 6 maanden, proeftijd hebben en dan moeten teekenen voor den dienst. Het zijn jongens, — ik wil nu niet den leelijken term „heffe des volks" gebruiken — die gerecruteerd worden uit de laagste klasse der samenleving."
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :