zaterdag 17 maart 2012

Matroos Vandersteng 013

Marine abc vervolgA.
Afhouden.
Den tros, stijf houden, zoodat deze bij het indraaien niet langs het spil doch inderdaad wordt ingehieuwd. Van afhouden spreekt men ook bij het zeilen, n.l. als men het schip of de sloep een richting geeft waarbij de wind meer van achteren invalt.
Aflosser.
De man, die den schildwacht, uitkijk, e.d. aflost. In het algemeen de man, die een ander persoon komt aflossen. „Je kan overgeplaatst worden als je een aflosser hebt".
Afstandmeter.
De kleinste afstandmeter aan boord is ongeveer 75 cm lang, de grootste 5 a 6 m. In het midden van den afstandmeter bevinden zich de ooglenzen, waardoor de man, die den afstandmeter bedient (afstandwaarnemer) zich instelt en eventueele fouten van zijn oogen corrigeert. Naast hem zit een tweede man, die te zorgen heeft, dat het te meten doel steeds in het centrum van het gezichtsveld blijft. Door het verstellen van knoppen wordt het beeld in het rechter- en het linkeroog van den afstandmeter, die zich op de uiteinden bevinden, op elkaar gebracht en de of - stand van het doel, dat eenige duizende meters verder ligt, nauwkeurig aangegeven op den schaalaanwijzer.
Aftrap.
Signaal, ten teeken, dat oefeningen geeindigd zijn. Aftrap wordt ook geblazen na het signaal „Geeft acht" als twee schepen elkaar passeeren; ook na vlaggenparade e.d. en beteekent, dat men kan doorgaan met werkzaamheden.
Aftrimmen.
Het in evenwicht brengen van een onderzeeboot voor de vaart onderwater. Nadat de boot met het voorduikroer op een vooraf bepaalde diepte gebracht is, wordt met het achterduikroer de helling op nulstand gebracht.
De diepte- en hellingmeters toonen nu aan wat de boot doet. Zakt het voorschip, dan moet uit de tanks water van voor- naar achteruit gepompt worden.
De man aan den waterverdeelbak zet de trimpomp aan en perst daarmede het water van de voorhellingtank door de trimleiding naar de achterhellingtank. Is de boot achteruit te zwaar, dan wordt van achter- naar vooruit gepompt.
Dit „heen en weer sleepen - (tremmen, trimmen, in evenwicht brengen en bijvullen of uitpompen van de tanks, wanneer het totaalgewicht niet juist is) is een zeer belangrijke handeling van de onderwatermanoeuvre. Is de boot tijdens de vaart eenmaal afgetrimd, dan is 'het niet noodig dit voor het duiken telkens opnieuw te doen. In tijd van actie is de boot steeds afgetrimd en klaar voor snelduiken.
Alle hens.
Is een van de zeer weinige Engelsche uitdrukkingen (all hands), die in onze Nederlandsche marinetermen gehandhaafd bleven. Alle hens aan 'dek, alle hens voor den boeg: al het yolk aan dek of al het yolk voor den boeg komen. Voor den boeg komen wil echter niet zeggen dat men zich voor den boeg van het schip opstelt. Dat zou niet mogelijk zijn, want dan stapte men te water. Boeg is hier een verbastering van boog, op de oude zeilschepen de afscheiding tusschen vooruit (het scheepsvolk) en achteruit (de officieren). „Alle hens voor den boeg" wil dus zeggen: „op het half dek aantreden", b.v. om te luisteren naar een officieele toespraak.
Allemans-endje.
Eindje touw aan den klepel van de scheepsklok, ongeveer 20 cm lang, voorzien van een Turkschen knoop (sierknoop aan het eind van een touw). Het is 't kortste eind touw aan boord.
Alles los, voor en achter.
Klaar om te vertrekken, daar alle meertrossen zijn ingenomen. Wordt ook in figuurlijken zin gebruikt, bijv. bij het afbreken van een verloving, waardoor men weer vrij man wordt.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :