donderdag 6 juni 2013

Schetsen en Humor 077

hoofdstuk 3- Marineschetsen van 1860 tot 1900.
De kommedant was gek met 'm en wij mochten 'em ook allemaal graag, aldat ie teuge ons niet erg toeschietelijk was. Overdag had ie altijd zoowat groozigheid over, 'm, maar 's nachts kwam ie nog al is schooieren of d'r ook wat van de rotmok voor 'm overschoot. Alles goed en Wel, zeg ik teuge de kwartiermeester van de jol, nou hebbe me Kas, maar Kas heit geen ,,hellep" geroepen, dus d'r mot er nog een buite boord leggen.
Op avontuur is Kas 'em nagesprongen. 't Was een soortement Nieuw-foundlander. Wij rond geroeid en geroepen en gekeken en uitgeluisterd, maar niks te zien hoor. Na 'n half uur worre me an boord gefloten, rollezen gehouwen over 't wachtsvolk, alles present. Met rollezen voor de hondewacht, weer alles present.
Maar om een uur komt de leerling bij den bootsmaat en vraagt : ,,Weet u ook waar de bijkok ergens hangt ? Ik mot 'm porre, maar ik kan 'm nergens vinden... ,,Drabbe ?" zeit de bootsmaat, ,Wel die hangt in 't tusschendeks bij de Wilsonpomp." ,Ja," zeit de leerling, „daar hangt ie altijd, maar op heden is ie er sikuur niet, want ik heb alle kooien nagekeken, en d'r staat niks op ook, as de korperaal om drie uur".
Gezocht en gefloten. Drabbe, de bijkok, was weg en bleef weg. 's Morgens vonden ze z'n kooi gesjord in de verschansing. Drabbe was 't die „hellep" geroepen had.
Later lekte'et uit hoe ie waarschijnlijk over boord geraakt was : Den vorigen dag was 't traktement geweest, en 's avonds was Drabbe door de korperaal van de marjeniers gesnapt met kaarten, net dat ie z'n laatste gulden opzette. Z'n gulden wier ingepikt, en met parade stopte de kommedant 'm voor z'n oogen in de arremebus.
Dat zat Drabbe niet glad, want ie had er op gespikkeleerd om met die gulden een centje te verdienen om op Zinkepoer te passazieren. Toen ie na parade vooruit kwam, hadden z'n maats 'm hooren zeggen: „Pas op, ik zal van jou ook is wat in de arremebus stoppen," maar ze hadden er geen idee op, dat ie daarbij het oog op Kas had, want zoo as ik zeg, we mochten m allemaal graag lijen.
Hij had 'm waarschijnlijk te pakken gekregen toen ie op de eerste wacht an dek kwam om 'n strotje rotmok, en toen ie 'm vrij wou zetten, schijnt ie zelf ook z'n evenwicht verloren te hebben. Hoe 't persies in z'n werk gegaan is, daar heit Kas nooit 'n woord van gekikt, aldat ie het best mot geweten hebben, want met de vendu van Drabbe z'n plunje, toen rook ie er an en gromde zoo kwaadaardig as ik 'm nooit gezien had. Daar slaat 't waarachtig elf uur en op de Dagwacht heb ik den an 't roer. Nou, meheer, ik gaan me matje opzoeken."
„Zes glazen", trillen door de heldere nachtlucht. Het weemoedig gezang van „de graver ging het kerkhof fangs" en ,,Excelsior ! Excelsior !" van de zingende maats aan bakboordsloopplank is langzamerhand verstorven ; het gerikketik der machines van de lap- en naaibazen is verstomd; de rumoerige bewoners van de varkens- en kippenhokken zijn eindelijk tot rust gekomen en zoeken in den slaap vergetelheid voor de oude veeten en nieuwe krachten voor die van morgen — geruischloos glijdt het majestueuze schip verder over de dartelende golfjes, zijn verre bestemming tegemoet... „En het wachtwoord is : ,,Sinterklaas... ,,zegt matroos 1e klas Kromhout, tegen ,nommer vier op den bak", die hem komt aflossen."
In 1871 verscheen het eerste Jaarboekje voor de adelborsten. Er moet reeds in 1858 en in 1859, misschien ook nog in volgende jaren — dock daarover heb ik geen zekerheid — een annuarium verschenen zijn onder den naam : ,,Neptunus". Het jaar 1857 was n.l, een belangrijke periode in de opleiding voor zee-officier.
Je weet — althans ik heb 't je al eens eerder verteld — dat deze opleiding na vele omzwervingen vanaf het midden der 18e eeuw, tenslotte in Nieuwediep terecht kwam en in 1857 aan boord van Zr. Ms. Linieschip ,,Kortenaer" gevormd werd.
Alle teekenen wezen er op, dat ze daar — in Nieuwediep — wel voor goed zou blijven. Blijkbaar vonden de adelborsten — als echte studenten, al waren ze dan in opleiding aan boord van een schip — het noodig, hun collega's in de Universiteitssteden na te volgen en met een annuarium voor den dag te komen.
Waarom de uitgave niet werd voortgezet of waar de boekjes gebleven zijn weet ik niet, zoodat ik er geen verdere bijzonderheden van vertellen kan. In 1870 werd het tegenwoordige gebouw aan den wal betrokken en verscheen een jaar daarna het eerste Jaarboekje.
Het bleef onafgebroken verschijnen. Op een 20-tal na heb ik ze alle in mijn plunjezak. Nu moet je niet verwachten, dat je in die jaarboekjes veel marineschetsen vinden zal en zeker geen letterkundige juweeltjes.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :