maandag 29 april 2013

Schetsen en Humor 017

hoofdstuk 1- Marineschetsen na den 4en Engelschen oorlog en voor den Franschen tijd.
Een van het volk brak bij deze gelegenheid, door het vallen van de bramzaling in de mars, een arm, en werd kort daar op even als een razende, bijtende in het touwwerk, in het hout en zelfs op de genen die hem hulp wilden toebrengen; eindelijk willende afklimmen, begaven hem onder 's weegs de krachten, zoo dat hij over boord viel en verdronk.
Intusschen begon het al vreeselijk te waaijen; de bramstengen en voorsteng braken, zonder zeilen te dragen, door den enkelen wind en vielen van boven neder tot dat zij in het tuig bleven hangen; de laatste viel door de fok, scheurde dezelve en deed dit zeil aanstonds in flarden vliegen. Het halve scheepsvolk was aan de geitouwen, maar alle hunne vereenigde krachten waren te vergeefsch, wij verloren het geheel en al en de reeds gescheurde marszeilen, die daarenboven maar half en slecht vastgemaakt waren, volgden schielijk.
Eindelijk brak de dag aan en toen zagen wij van ons verstrooid en geheel uit een geraakt Eskader alleen het schip ,,Noordholland", onder bevel van den kapitein Rijneveld, te loef of windwaarts van ons, sterk naderende; men heesch dus het grootstengestagzeil en ofschoon zulks aanstonds aan flarden vloog gaf het evenwel eenige vaart-, men draaide ook het roer te loefwaard op, maar juist breekt toen de pen en wel in het zelve hachelijk tijdstip, dat wij elkander aan boord zouden hebben kunnen raken, in welk geval, er voor beide niets anders dan een oogenblikkelijk nederzinken te wachten was geweest.
Gelukkig raakte dit schip kort daar op achter uit, wij zagen het de groote en bezaansmasten verliezen, geweldige slingers met maar weinig rijzing doen en schier gansch voor den wind vallen, geen stuur meer hebbende. Dit gezigt was allerakeligst en zulks te meer daar wij in hetzelfde gevaar waren; nooit had iemand onder een schip zoo zien hellen en daar het dus liggen bleef, kon men met grond opmaken, dat het ruim reeds vol water moest zijn. Een ieder dacht aan zijne vrienden, die op dien bodem waren en niemand kon iets anders dan een schielijk omslaan of zinken verwachten. Hij geraakte aan lij of beneden winds uit ons gezigt.
Intusschen sloeg de kop van ons roer door het breken der pen allervreeselijkst, het geen door het met hangmatten, bultzakken, dekens, randsels en plunjes op te stoppen en er alles wat maar voor de hand kwam, in te werpen, eindelijk met veel moeite gelukkig belet werd. Het slaan van het roer in eene zoo woedende zee kan al spoedig de stevens ontzetten en het schip doen lek worden. Dien ganschen dag hadden wij noodweer, het woei meer dan storm. In de open lucht konden wij, hoe luid ook sprekende, elkander niet verstaan; de bevelen moesten gebukt onder het loefboord gegeven worden.
Het vreeselijke slaan der aan stukken gewaaide zeilen, het slingeren der gebrokene nog in het tuig hangende rondhouten, het trillen der masten, het kraken der boorden en het heesch geschreeuw der zich toeroepende zeelieden, maakten met elkander een geheel, waarvan men zich de akeligheid niet verbeelden kan en de slingeringen van het anders hooge schip, was zoo geweldig, dat wij dikwijls met het lijboord water schepten en zelfs deze zijde van het halfdek nu en dan onder hing; alle zeëen kwamen over en geen oogenblik konden de pompen stilstaan.
Midderwijl boden wij alle mogelijke weerstand, het geschut werd vaster gezet en ieder stuk met brandhouten onder de achterste wielen voorzien; raakt er een hier van los, zoo is men gewis verloren. De presenningen werden over de roosters,in de kuil gespijkerd, op dat het overgevlogene en geschepte water niet naar om laag zoude loopen. De ijzeren roerpen en daar na de waarlooze houten werden ingestoken, de barring vaster gesjord, plegt en boeganker verzekerd en eindelijk ook de voorbrammen binnenboord gehaald : het andere gebroken en hangend tuig moest dus blijven hangen, daar de Kapitein tegen het aan stukken kappen van touwwerk was en de storm niet toeliet, buiten dit te doen de boel te kunnen redden.
Het grootzeil, het kruiszeil en de bezaan woeijen los, velen dezen hun uiterste best om ze weder vast te krijgen, doch te vergeefs en een der bootsmansmaats, het onmogelijke pogende uit te voeren, viel van de groote ra op de ijzere septers der vinkenetten van het halfdek en bezeerde zich derelijk. Gelukkig werd hij in het oogenblik, dat hij over boord zou gevallen zijn, gegrepen. Aan dezen man evenwel zijn wij het behoud van het grootzeil verschuldigd geweest, alle de anderen die los geraakt waren vlogen in flarden.
Met den avond waren wij volgens ons bestek nog maar 10,75 mijlen van het eiland Minorka en hadden den Oostelijken hoek van hetzelve Z.Z.O. van ons. Thans werd in overweging genomen wat het beste was, over dezen boeg te blijven liggen of te wenden over den anderen ? Beide was gevaarlijk en na dikwijls passen en meten, besloot men vrij algemeen tot het eerste, alzoo er onzes inziens alsdan meer hoop was om Minorka mis te drijven en te boven te komen, hetwelk met minder gevaar verzeld zou gaan, dan te wenden en met dit dik weer, hetwelk het uitzigt tot op eenen zeer korten afstand bepaalde, tusschen de eilanden Minorka en Majorka te willen doorzeilen.
Wordt vervolgd

Geen opmerkingen :