dinsdag 13 maart 2012

Matroos Vandersteng 009

MarineTermen-09
In het Nederlandsche taalgebruik zijn tal van uitdrukkingen opgenomen, die men tegenwoordig met het begrip „slang" aanduidt; woorden die min of meer buiten den toon vallen, doch die geleidelijk aan, soms echter als modewoord met een verrassende snelheid, gemeengoed geworden zijn.
Dat komt bij de marine ook voor. Plotseling duikt ergens een woord op, hoort men een uitdrukking, die ergens aan boord of tengevolge van een bepaalde, soms doodonschuldige gebeurtenis in een vreemde haven, is ontstaan en blijven hangen. In een minimum van tijd gaat zoo'n uitdrukking van schip tot schip door de geheele marine.
Dergelijke woorden of uitdrukkingen krijgen daardoor het karakter van marineterm. Maar woorden en uitdrukkingen, die kennelijk aan den wal ontstaan zijn, kan men moeilijk marinetermen noemen, al worden ze aan boord veel, zeer veel zelfs, gebruikt.
Men moet overigens niet te veel willen „uitzoeken". Woorden, die men vandaag nog niet als marineterm accepteert, zijn het na 100 of 200 jaar misschien wel, zooals b.v, „walegang" (van walgang in den vestingbouw) „talie" ( van het maleisch, d.i. touw) e.d.
Uitdrukkingen als „een snuitje halen" voor in 't gevlei komen, „lol trappen" voor pret maken, of herrie schoppen, keet maken e.d., die bij de marine ook gebruikt worden, kunnen echter moeilijk als marinetermen beschouwd worden.
Iets anders is b.v. „ik kijk wel uit" voor : ik pas er voor, van uitkijken en „luister uit", die aan uitkijken en uitluisteren (kijken en luisteren als men op post staat) synoniem zijn. Een moeilijkheid scheen het — omdat in z.g. matrozenverhalen daarvan zoo dikwijls sprake is — iets op te nemen over het gebruik van ruwe woorden. Nu is het gebruik van dergelijke woorden geen speciale eigenschap van den marineman, zelfs niet als men het begrip „ruw" verbinden wil aan het verouderde begrip van matroos.
Vandersteng heeft tegen dit wanbegrip al heel wat „gekankerd" en er zijn lieden, die hem deswege pedant vinden en hem „met z'n boekentaaltje de wijde zee in zouden willen trappen" (De Waag van 16 Dec. 1938). Een marineman is nu eenmaal, volgens het begrip van Vandersteng, een doodgewoon Nederlander en zijn taal is niet anders, niet onbeschaafder, niet dwazer dan die van anderen.
Maar zooals gezegd, scheen het een moeilijkheid. In werkelijkheid heeft Vandersteng zich gehouden aan het spraakgebruik aan boord in diensttijd. En dat is op een varend schip 24 uur van een etmaal. Daarom zal men in deze verzameling slechts enkele uitdrukkingen ontmoeten, die eenigszins uit den toon vallen, doch die aan boord, in de onderlinge verhoudingen, tot het gewone spraakgebruik behooren.
wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :