woensdag 9 november 2011

Roeisloepen 3

Uit het Handboek Zeemiliciens van 1917. Roeisloepen :
De sloepen hangen in hare takels aan de davit s. Aan de davits vindt men de bakstagen, den middelleider en soms een hanepoot met ophouder. Bij het hijschen of strijken der sloep moeten de beurtgasten onder in de sloep staan zich nooit aan de takels maar alleen aan de handleider vasthouden, en tusschen de beide takels blijven; staan ze voor het voorste, of achter het achterste takel en breekt het achter- of het voortakel, dan komen zij beknepen tusschen takel en sloep.
Zijn de sloepen geheschen, dan maakt men het propgat open en let er op, dat het niet door veil verstopt geraakt; de prop moet aan een einde zijn vastgemaakt. Het roer wordt ingelegd. en om de sloepen worden de broekmatten genomen.
Bij het strijken van de sloep worden eerst de broekmatten afgenomen, daarna wordt het roer ingehoekt, het propgat gesloten en de vanglijn evenals bij het hijschen binnen boord gegeven, wat vooral noodig is als er stroom is.
Bij het inpikken van de takels moeten ze klaar genomen worden, en bij het uithoeken zorge men, dat zij nergens in de sloep pakken en vrii buiten de sloepen worden gegooid. De sloepen worden, wanneer ze in de takels hangen, voor zee dikwijls gesjord met de loopers van de takels, of met uitsluitend daartoe bestemde einden, krabbers genoemd.
Aan boord der oorlogsschepen heeft iedere sloep haar eigen nummer; de seinvlag, die dit nummer aangeeft, staat met dat nummer gewoonlijk geschilderd op het zettebord. Wordt de nummervlag van eene der sloepen met den Nederlandschen breeden wimpel, (Kerkwimpel), daarboven, geheschen aan boord van het schip, waartoe de sloep behoort, dan geldt dit sein als eene mondelinge order en beteekent, dat de sloep aan boord terug moet komen.
Wanneer men in de sloep een sein ziet, dat van boord gedaan wordt aan die sloep, dan steekt men als contrasein een riem of pagaai op, waardoor men aan boord weet, dat het sein gezien is.
Dikwijls is ook nog op het zettebord geschilderd eene roode, eene witte en eene blauwe vlag, waaronder „B.B." „recht" en „S.B." Dit beteekent, dat wanneer aan boord de roode vlag opgaat, de sloep bakboord uit moet roeien, dat men dus den kop naar B.B. moet brengen.
De onderofficier der sloep laat zoolang naar B.B. houden, totdat de roode vlag neergaat en stuurt dan recht door.
De witte vlag beteekent recht door sturen en de blauwe vlag naar stuurboord roeien. (Men denke hierbij aan de kleur der lichten Van de stoomsloep : rood= B.B., wit= recht vooruit en groen= S.B.).

Geen opmerkingen :