maandag 14 november 2011

Nederland Amsterdam 1905 - 2

Rosjestvenski's vloot.
Ons doel is het niet om na te gaan, welke bezwaren het uitrusten van deze vloot heeft gehad, welke moeilijkheden overwonnen moesten worden, noch hoe ten slotte de vloot is samengesteld en welke waarde zij als krijgsmacht vertegenwoordigt. Dit alles doet hier niets ter zake.
Het is voldoende te weten, dat eene talrijke Russische oorlogsvloot de Oostzee verliet om zich, door den Indischen Oceaan, te begeven naar het oorlogsterrein in Oost-Azië; dat een deel dier vloot den weg nam door het Suez-kanaal, het andere de roûte verkoos om de Kaap de Goede Hoop; dat de vloot zich vereenigde in de wateren van Madagascar, waar de bevelhebber bericht zal hebben ontvangen van den val van Port-Arthur.
De omstandigheid dat de vloot op hare reis niet in de gelegenheid zou zijn eene Russische haven aan te doen en dat alle Mogendheden verklaard hadden eene volstrekte onzijdigheid in acht te zullen nemen, maakte de aanvulling van den kolenvoorraad zeer bezwaarlijk. En toch bleef die aanvulling noodzakelijk, omdat een hedendaagsch oorlogsschip zonder brandstof machteloos ja bijna hulpeloos is.
De verklaring van onzijdigheid legde aan de Mogendheden de moreele verplichting op om de bepalingen van het Volkenrecht in acht te nemen. Deze bepalingen vormen echter geen wetboek in den gewonen zin. Voor het meerendeel zijn het slechts gebruiken, welke ten doel hebben de ruwheden van den oorlog te matigen en de onvermijdelijke nadeelen van den oorlogstoestand te beperken.
Voor zoover het de oorlogvoerende partijen betreft door alles te vermijden, wat niet kan leiden tot bereiking van het einddoel van den oorlog. Voor zoover het de onzijdige Mogendheden betreft, door geen uitbreiding aan den oorlog te geven door anderen daarin te betrekken. In zoover verdienen deze bepalingen toejuiching, maar overigens moeten zij niet hooger worden aangeslagen dan zij verdienen.
Bij gemis aan eenig dwingend recht is het toch duidelijk, dat geen Mogendheid zich door deze bepalingen meer gebonden zal achten dan haar belang, ja onder bepaalde omstandigheden haar oogenblikkelijk belang, veroorlooft.
Dit geldt zelfs voor die enkele onderwerpen van internationaal recht, waaromtrent bepaalde overeenkomsten zijn gesloten. Door deze op te zeggen behoeft een Staat de overeenkomst zelfs niet te schenden; hij krijgt hierdoor immers zijn vrijheid van handelen, zijne vrijwillig tijdelijk beperkte souvereine rechten terug.
Voor de onzijdige Mogendheden geldt in hoofdzaak gelijke redeneering, al zal het voor deze ook veelal gemakkelijker wezen zich stipt aan de voorschriften van het Volkenrecht te houden, omdat haar bestaan niet bedreigd zal worden door zulks te doen.
Moeilijker zal het echter vallen aan de regeering van eene onzijdige Mogendheid om door de onderdanen van den Staat de onzijdigheid steeds en in alles te doen eerbiedigen, gesteld zij wenscht werkelijk dat dezen zulks zullen doen.
Veelal toch zullen deze onderdanen zich door, ethische en soortgelijke overwegingen niet laten weerhouden om de geldende bepalingen te overtreden, zoodra persoonlijk belang dit medebrengt, terwijl het belang der gemeenschap voor velen eveneens een onvoldoend krachtig argument is om eigen belang ter zijde te stellen.
wordt vervolgt

Geen opmerkingen :