maandag 3 april 2017

Eindeloze Nacht van Jan Douwes 12

Hr. Ms. Java De 'Java' is een groot schip. Ik moet eraan wennen om met vijfhonderdzestig mannen aan boord te zitten en toch alleen te zijn. Het opgefokte gedrag van de gemiddelde marineman spreekt mij totaal niet aan. Niemand wil bier voor een zacht ei doorgaan en de meesten gedragen zich daarom overdreven flink, vooral was roken en drinken betreft. Ik drink nog steeds niet, maar rook of en toe wel een sigaretje mee, want : 'Het is geen man die niet roken kan'. Het ontwerp van een marineschip vind ik een verhaal apart.
Er wordt volgens mij eerst een romp getekend, waarin de machinekamer, de hulpmachinekamer, dieselkamer en hulpdieselkamer komen. Vervolgens de kanonnen en ander geschut, voldoende ruimte voor munitie, tenslotte een brug, en klaar is het oorlogsschip. De lege ruimten zijn bestemd voor proviand. Dat er uiteindelijk ook nog een bemanning aan boord mee moet is eigenlijk een vervelende bijkomstigheid. De officieren krijgen natuurlijk een longroom met slaaphutten, en de onderofficieren kunnen ook hun kont nog net keren, maar dan moeten er ook nog een paar honderd manschappen bij.
Helemaal geen probleem denken de ontwerpers; die hebben niet zo veel ruimte nodig, die komen prima aan hun trekken in de gecombineerde eet-, slaap- en recreatieruimten voor in het schip. De slechte huisvesting valt in het niet bij het slechte en karige eten dat ons wordt verstrekt. Dat zijn we bij de marine wel anders gewend. Weliswaar kan onze hut dat wat compenseren omdat we voldoende bij de kok kunnen bunkeren als we daar helpen afwassen, maar het blijft een schande. Er is slechts één marine-officier die af en toe komt kijken hoe het met ons gaat. Ons geweeklaag haalt niets uit. Hij hoort het aan, maar zegt dat je op een koopvaardijschip nou eenmaal geen luxe cruise maakt als 4e klas passagier. Zo sleept de reis zich voort. Als we uiteindelijk in Indië aankomen word ik meteen op, de Hr. Ms. 'Java' geplaatst, het schip dat zijn einde zal vinden als massagraf.

De werkzaamheden aan boord zijn pittig en vooral het wachtlopen is zeer vermoeiend. Het lijkt op het eerste gezicht misschien een makkie, maar dat is het bepaald niet, het gaat namelijk altijd maar door en wordt op den duur een slopend ritme. Iedere dag heeft zes maal vier uur en er zijn drie wachtdivisies. Je draait per dag altijd acht uur wacht, zowel tijdens je werkzaamheden als in je vrije tijd.
De indeling is als volgt :
00.00 - 04.00 uur hondewacht
04.00 - 08.00 uur dagwacht
08.00 - 12.00 uur voormiddag
12.00 - 16.00 uur achtermiddag
16.00 - 18.00 uur eerste platvoet
18.00 - 20.00 uur tweede platvoet
20.00 - 24.00 uur eerste wacht
Vooral het wachtlopen op onregelmatige uren is een zware opgave, want je krijgt gemiddeld maar zo'n vijf uur slaap per nacht. Sloten koffie helpen de ogen open te houden, en iedere gelegenheid om even een uiltje te knappen wordt aangegrepen. Als wacht kun je dienst doen als roerganger, uitkijk aan dek of brug, of uitkijk in de verblijven. Op de dagwacht wordt het dek gespoeld en worden er aardappelen gejast. Mijn werkplek is het trappenhuis. Dat houdt in dat ik alle trappen vanuit de verblijven, de trappen naar de brug en commandotoren, het baliehok en alles wat daar bij hoort moet schoonhouden en eventueel roest bikken en verven. In het trappenhuis is een groot rek tegen het plafond gemonteerd waarin de balsahouten zwemvesten liggen opgeslagen, maar dat wordt een ander verhaal.
Als het schip een kleine onderhoudsbeurt krijgt, moeten we ongeveer veertien dagen in Soerabaja blijven liggen. Tijdens ons oponthoud daar komt ook Wim Graven aan boord. Ik ben blij hem weer te zien en probeer hem in mijn divisie te krijgen. Dat lukt, en vanaf dat moment werken we samen, voornamelijk op de bak, de voorkant van het schip. Ik krijg een aantal inlanders toegewezen die helpen bij het bikken en verven van de verroeste onderdelen. Het zijn er vier en ik wil ze na de eerste keer graag weer terug, want ze hebben goed hun best gedaan. Ik geef ze alle vier een paar dubbeltjes van mijn zojuist verworven salaris, en ze beloven de volgende dag terug te zullen keren. Ik heb ze nooit meer gezien. Een ander kwartet heeft het werk afgemaakt.
Na vier dagen komt de Mandoer, de baas van de koelies, naar me toe. "Je hebt die eerste vier man ieder vier dubbeltjes gegeven," vertelt hij me. "Dat is precies het loon voor vier dagen werk. Ze vonden het daarom niet nodig om terug te komen." Of ik ze in het vervolg nooit meer geld wilde geven. Weer iets geleerd.

Er breekt een moeilijke periode aan. Het onderhouden van verbinding met Nederland wordt met de dag moeilijker. Er komt nog maar zelden een brief aan, en ik maak me ongerust over Loes en mijn familie. De kans bestaat dat Nederland in het oorlogsgeweld betrokken raakt. Hoe zal het dan met hen gaan ? Bijna iedereen kampt met die problemen, en de oplopende spanningen zorgen voor incidenten. Ook ik ontkom daar niet aan. Ik word gesnapt als ik een keer zonder te groeten het dek op kom. Iedere marineman is verplicht om telkens als hij aan boord komt of vanuit het verblijf aan dek gaat, te groeten voor de vlag. Wij hebben een majoor van de mariniers aan boord, die er een sport van maakt zoveel mogelijk mannen op parade te slingeren. Dus sta ik de volgende morgen op het matje bij de commandant om uit te leggen waarom ik niet heb gegroet. "Gewoon vergeten, commandant.
Het blijft bij een waarschuwing. De volgende keer kom ik zonder bamboehoed aan dek en loop in de armen van dezelfde majoor. Dit keer is de straf twee dagen licht arrest, wat neerkomt op een verbod om te passagieren. Dan word ik er uit gepikt omdat ik gymschoenen draag. Dat is weliswaar officieel verboden, maar niemand trekt zich daar veel van aan en loopt er ongestraft op rond; ik niet. Ik krijg strafdienst. Dat betekent werkzaamheden in je vrije tijd. Het blijft rapportjes regenen. De ene straf zit er nog niet op of ik hoor alweer iemand brullen : "Douwes !"
Wordt voortgezet

Geen opmerkingen :