maandag 27 maart 2017

Eindeloze Nacht van Jan Douwes 9

Het is goed thuiskomen; iedereen hangt aan mijn lippen om te vernemen wat de voormalige kantoorklerk op zijn eerste verre reis heeft meegemaakt. Loes luistert met glanzende ogen en rode konen. Ze is nog steeds verliefd. Ik voel me gelukkig. Wij spenderen een paar heerlijke dagen in Amsterdam, en in haar armen besef ik pas goed wat ik in den vreemde tekort ben gekomen. De jongens aan boord zijn weliswaar prima maten, waar je mee kunt stappen en dollen, maar daar houdt het mee op. Er is niemand die je eens kunt knuffelen of die jou beetpakt. Als je ver van huis bent merk je eigenlijk pas hoezeer je aan dat soort dingen behoefte hebt. Ik verheug me daarom op mijn stationering in Amsterdam; dicht bij de familie en dicht bij Loes.

In de Kattenburgkazerne begint mijn eigenlijke marine-loopbaan met een keuring voor radio-telegrafist. De uitslag is negatief. Ik word afgekeurd en als reden wordt opgegeven dat mijn ogen te slecht zouden zijn. Een opmerkelijk visioen van deze medische dienst, want ik zal pas op mijn achtenveertigste mijn eerste bril kopen. De uitslag is voor mij een bittere pil. Want wat moet ik nu ? In de functie van schrijver heb ik geen zin en voor hofmeester ben ik niet in de wieg gelegd. Dat heb ik aan boord van de 'Sumatra' wel gezien. Wim werkte daar als hulphofneester bij de officieren en gaf me altijd een seintje als er weer eens wat was teruggestuurd. Ik heb menigmaal porties gebakken eieren opgepeuzeld die de heren hadden geweigerd, omdat de bakwijze niet naar wens was.

De longroom is de plek bij uitstek waar de goeden zich van de kwaden scheiden. Er zijn officieren die er het grootste plezier in scheppen je af te blaffen en van het kastje naar de muur te sturen en je zo het bloed onder de nagels vandaan halen. Ik heb geprobeerd te ontdekken wat deze mensen zo bijzonder maakt dat ze zich zulke dingen kunnen veroorloven, maar ik kom er niet achter. Later is mij wel gebleken dat officieren die zich normaal gedroegen en hun ondergeschikten in hun waarde lieten, in oorlogssituaties veelal het meeste in hun mars hebben. Dus geen hofmeester. Mijn teleurstelling over de afwijzing als radiotelegrafist is nog maar amper verwerkt of ik heb mijn eerste baan te pakken : het schoonhouden van de slaapzalen, de bijbehorende w.c.'s en de gangen. Ik berust er in. Het is niet het leukste werk wat je bij de marine kunt krijgen, maar als ik geen wacht heb kan ik naar huis of met Loes Amsterdam in. Het is een rimpelloze tijd, die in augustus 1939 abrupt wordt verstoord door de afkondiging van de mobilisatie. Vanaf dat moment komen dagelijks honderden mannen naar de kazerne, die gevoed, gekleed en gehuisvest moeten worden.

Het grootste deel van degenen die zich 's morgens melden is tegen de avond alweer op weg naar de uiteindelijke bestemming. En de stroom houdt aan. Ik loop dienst in de eetzaal waar ik word ingezet bij het klaarzetten van de broodmaaltijden voor de nieuwkomers. Dat moet allemaal in sneltreinvaart. Koffiemokken worden niet afgewassen, maar meteen bijgevuld. Messen worden even aan de onderkant van het tafelkleed afgeveegd, hup, schoon, het broodplankje omgekeerd, jam, boter en kaas aangevuld, en de volgende ploeg kan zich aan de maaltijd zetten. We beginnen om zeven uur in de ochtend en 's avonds om tien uur wordt de laatste tafel opgedekt. Op iedere tafel staat een schoteltje waar men een kleine bijdrage voor het 'zeuntje' kwijt kan (zeuntje is de naam die de bemanning voor de hofmeester gebruikt). Er zijn dagen bij waarop we wel vijftien gulden ophalen aan centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes. Een welkome aanvulling op onze soldij, die maakt dat ik soms thuis kom met een bedrag dat het dubbele is van het weekloon van mijn vader.

Het is een merkwaardige tijd, waarin ik vogels van allerlei pluimage aan mij voorbij zie trekken in de meest vreemdsoortige uniformen. De meeste gemobiliseerden zijn wat in omvang toegenomen sinds hun diensttijd en passen derhalve niet meer al te goed in Hare Majesteits wapenrok. En de uniformen zijn er door hun jarenlange verblijf op stoffige zolders in de meeste gevallen ook niet beter op geworden. Daar waar het helemaal niet meer gaat is het marineuniform aangevuld met burgerspullen. Het is moeilijk voor te stellen dat dit stelletje ongeregeld binnen een paar maanden veranderd zal zijn in goed inzetbare soldaten.
Wordt voortgezet

Geen opmerkingen :