dinsdag 14 maart 2017

Eindeloze Nacht van Jan Douwes 4

De zon komt op en koestert me met haar weldadig warme stralen. Even komt de gedachte in me op om De Hondt de strot om te draaien. Gelukkig verdwijnt die gedachte even snel als ze is opgekomen. Ik ben geen gewelddadig mens en laat de schoft maar schelden. Dan zie ik in de verte nog een leeg vlotje. Juist als ik er naar toe wil zwemmen om het op te halen, word ik door de inlanders gewaarschuwd voor een enorme zeeslang die naast ons vlot is opgedoken. Ik wacht tot het beest is verdwenen en zwem naar het vlot toe. Het ermee terugzwemmen gaat moeizaam, maar het lukt en we hebben nu extra ruimte. Zo dobberen we een paar uur in betrekkelijke rust rond, ieder bezig met z'n eigen gedachten, en de spanning tussen mij en De Hondt voelbaar in de lucht.

Het is denk ik een uur of tien als we in de verte een hoop drijvend materiaal ontwaren. Ik zeg dat we er naar toe moeten varen om te kijken wat het is. De Hondt weigert. Stel je voor dat het overlevenden zijn, dat zou nog weer mensen aan boord van onze vlotten betekenen. De inlanders en ik negeren z'n weigering en peddelen er naar toe. De Hondt steekt geen poot uit. Bij de plek aangekomen blijken het inderdaad drenkelingen te zijn, die zich met behulp van bamboes, een paar balies en een vlotje ternauwernood drijvend hebben weten te houden. We verdelen de mensen over de twee vlotten, die nu half onder het wateroppervlak verdwijnen, maar ons bovenlijf in ieder geval droog houden.

Niemand weet waar we ons bevinden. In onze groep bevindt zich ook een majoor van de mariniers. Hij is zeer verzwakt door zijn verwondingen en glijdt voortdurend bijna van het vlot af. We hijsen hem steeds weer boven water en geven hem z'n zitplaats terug. Hij ijlt van de koorts en roept alleen maar : "Tamboer, sla de dodenmars * " Door onze uitgeputte toestand zakken wij ook regelmatig weg. Als ik weer eens uit zo'n hazeslaapje ontwaak, ligt de man bij mijn voeten onder water. Ik haal hem naar boven en zie dat hij is overleden. We zetten hem buiten het vlot en geven het lijk een zetje in de hoop dat het weg zal drijven. Dat doet het niet. Het lichaam blijft nog uren naast ons drijven. Het is een gruwelijke aanblik.

Er komen vliegtuigen aan, die ons ontdekken en in duikvlucht over ons heen scheren. Wij nemen geen enkel risico en verdwijnen zo diep mogelijk onder water. Ik weet niet of ze schieten. Na verloop van tijd verdwijnen ze weer, ons ongedeerd achterlatend. De zon brandt onbarmhartig op onze gezichten en bovenlichamen en ieders huid verbrandt in de felle zon. De Hondt maakt er een enorm misbaar over. Zelf heb ik er geen last van, want ik ben door de arbeid aan boord van de Java' al flink verkleurd. De dag verglijdt en het wordt weer avond. In de verte zien we een reeks oorlogs- en transportschepen langsvaren, kennelijk op weg naar Java.

Tegen een uur of elf 's avonds duikt een torpedobootjager uit de duisternis op en richt zijn schijnwerper op onze vlotten. Aan de reling staan Japanse marinemannen gewapend met geweer en bajonet. Ik weet niet of ik blij moet zijn of wanhopig. Japanners maken geen krijgsgevangenen, dus ons lot lijkt bezegeld. De moed zinkt me in de Schoenen als ik met de anderen aan boord stap. Het is mij bekend dat Japanners geen respect hebben voor overlevende verliezers. Je hoort je dood te vechten en je zeker niet over te geven aan de vijand. Ik hoop er het beste van.

Het lijkt mee te vallen. We krijgen wat te drinken en de verwondingen worden behandeld. Even later komt ook de eerste officier van de Java', kapitein ter zee Beckering Vinckers aan boord, zodat we nu in totaal met tweeenveertig overlevenden zijn. Hij vertelt dat hij de commandant onderweg is kwijtgeraakt. Hij is er zelf slecht aan toe. Wij krijgen een deken per twee man en mogen op het dek gaan slapen. Beckering, Vinckers; vraagt of hij met zijn hoofd op mijn dijen mag liggen, omdat hij zo moeilijk slaapt zonder hoofdkussen. Ik ben nog net niet moe genoeg om het bizarre van dat verzoek te beseffen : uitgeput aan boord van een Japanse Jager en dan niet zonder hoofdkussen kunnen slapen. Maar ik gun hem z'n rust en val zelf ook als een blok in slaap. De volgende morgen worden we gewekt en krijgen we een balletje rijst en per twee man een blikje corned beef.
Wordt voortgezet

Geen opmerkingen :