zondag 12 maart 2017

Eindeloze Nacht van Jan Douwes 3

Ik ben alleen.
Verlaten in een pikdonkere, onafzienbare zee. De golven wiegen me op hun ruige ritme. Ik weet niet wat ik moet doen. Alleen dat ik boven moet blijven. Boven blijven! Boven blijven! Ik zwem rond zonder enig richtingsgevoel en hoop dat de haaien me in godsnaam met rust zullen laten. Ik ben kapot. Doodmoe. Mijn ogen turen de donkere watervlakte af op zoek naar iets om me aan vast te houden. Ik zie iets drijven en zwem er op af. Dichterbij gekomen zie ik dat het 't hoofd is van een verdronken man. Later bespeur ik iets op het water dat een lichte kleur heeft. In de hoop dat het een zwemvest is, zwem ik er naar toe. Het zijn de billen van een dode, die met z'n gezicht naar beneden op het water drijft. Nu slaat de paniek toe. Met een van angst verstikt gemoed en happend naar adem zwem ik weg. Ik weet niet waar naar toe. Dat maakt me radeloos. Ik word gek, of ben ik het al? Ik houd op met zwemmen en probeer mezelf al watertrappend tot bedaren te brengen. Ademen. Rustig ademen.

Langzamerhand krijg ik mezelf onder controle en probeer de balans op te maken. Ik ben bekaf en heb het gevoel dat ik geen meter meer kan zwemmen. Ik besluit mijn krachten te sparen door me zoveel mogelijk te laten drijven. Er is veel deining waardoor het niet meevalt om op mijn rug te drijven. Het is nog steeds pikdonker. Ineens ben ik in de buurt van een vlotje met overlevenden. Ik voel een enorme opluchting. Ik ben niet meer alleen en kan ophouden met zwemmen. Maar het mag niet zo zijn. "Rot op, godverdomme," schreeuwt een van de opvarenden, en slaat me hard met een of ander voorwerp, waarschijnlijk een peddel. "Laat me dan even uitrusten", roep ik wanhopig, maar het vlot is al weer verdwenen in de duisternis. Ik zink weer weg in de golven en het angstige gevoel van volstrekte verlatenheid grijpt me weer naar de keel. Ik voel me machteloos en in de steek gelaten en zou willen huilen, als ik dat kon. Gedachten maken door mijn hoofd. Hoe lang gaat dit duren? Houd ik het vol ? Waarschijnlijk zal ik het niet halen. Ik voel een grote droefheid. De nacht lijkt eindeloos. Probeer het nog eens op je rug, Jan.

En als dat niet meer lukt, probeer dan te blijven watertrappen, Jan. Hou vol! Hou vol! Ik heb er geen idee van hoe lang ik al ronddobber. Ik krijg het stervenskoud. De temperatuur van het water is weliswaar zo'n 25 graden, maar na verloop van tijd slaat de onderkoeling toe. Dit kan niet lang meer duren, het mag niet lang meer duren, want dan ga ik er aan. Het vooruitzicht om onder de golven te verdwijnen en te verdrinken mobiliseert mijn allerlaatste reserves. Ik hou vol. Ik wil nergens aan denken. Ik kan het niet eens. Uren gaan voorbij. En dan, heel langzaam, wordt het licht. De dag breekt aan en dat geeft weer moed. Als ik dat haal... Dan kan ik tenminste iets zien. Misschien ligt er wel reddingsmateriaal vlak naast me. Het wordt lichter en lichter en in de verte kan ik iets ontwaren. Ik kan m'n ogen nauwelijks geloven; het is een vlot ! En wat nog belangrijker is, ik zie beweging : overlevenden. Het lijkt een eeuwigheid te duren voor ik het bereik. Als ik er vlak bij ben, ontwaar ik drie mannen, een blanke en twee inlanders."We zitten vol," schreeuwt de blanke man. "Hier is geen plaats !" Ik herken de stem. Het is de laffe De Hondt, de angsthaas die ik nog zag bibberen bij het luchtalarm.

Een ding weet ik zeker. Dit is mijn laatste kans om te overleven en die laat ik me door deze hufter niet afpakken. Aan de rand van het vlot, dat met gemak tien mensen kan bergen, zitten handvatten van touw. Ik verzamel m'n laatste krachten en grijp er met een hand een vast. Met de andere stomp ik De Hondt midden in z'n gezicht. Hij slaat achterover in het vlot en ik klim meteen aan boord. Ik zit en geniet tot in al mijn vezels, van de vastigheid onder me. Nu pas besef ik hoe door en door koud ik ben en hoe verschrikkelijk vermoeid. Het is denk ik ongeveer acht uur in de ochtend; ik heb bijna negen uur in het water gelegen. De Hondt krabbelt overeind en vaart woest tegen me uit. Hij Scheldt en briest. Of ik besef dat ik een onderofficier heb geslagen. Hij zal me voor de krijgsraad slepen zodra we aan wal zijn. Hij zal... Ik laat hem razen. Hij heeft zelf hooguit tien minuten in het water gelegen en kan zich er geen voorstelling van maken hoe het is om een derde etmaal in het donker in zee te hebben gezwommen.
Wordt voortgezet

Geen opmerkingen :