woensdag 29 maart 2017

Eindeloze Nacht door Jan Douwes 10

De bewaking is zo lek als een zeef. Iedereen kan zonder noemenswaardige controle in en uit lopen. Dat inspireert sommigen om te proberen een slaatje te slaan uit deze heksenketel. Zo melden vier mannen zich om beurten bij de bottelier en doen zich net voor alsof ze het zeuntje zijn. "Voor de eetzaal!", roepen ze met veel overtuiging en nemen dan porties brood, boter, kaas, koffie en suiker mee, die ze verstoppen onder het dekzeil van een verdekt opgestelde handkar. Lang gaat dat niet goed: de bottelier wordt door deze wel zeer enthousiaste afname achterdochtig. Hij zet iemand op de uitkijk, die al snel bespeurt dat de spullen niet richting eetzaal, maar naar de handkar gaan. Op het moment dat het rovende kwartet meent dat het zo wel weer even genoeg is en ze door de poort willen gaan met de mededeling dat ze even naar het magazijn moeten, worden ze in de kraag gegrepen en ingerekend.

Hun diensttijd begint met de gevangenis. Het blijkt dat een kruidenier in Kattenburg zo vriendelijk was geweest om de gestolen waar af te nemen. Bij hem wordt nog een flinke voorraad goederen uit de kazerne aangetroffen. Ook hij gaat de bak in. En dan zijn er natuurlijk de eeuwige practical jokers. Een pas opgekomen militair krijgt als taak op de dagwacht (van 04.00 tot 08.00 uur)'uitkijk slaapzaal' te zijn. Hij moet orde houden op de slaapzaal waar tachtig man in kooien slapen. De kooien zijn aan klambaaien boven de kasten vastgemaakt. De routine is dat je je uitkleedt, je kleren opbergt in de kast en dan met je laarzen aan naar je kooi gaat. Daar worden de laarzen uitgeschopt, die dan 's nachts onder de kooi blijven liggen. Elke laars is in de hak voorzien van een persoonlijk nummer.

Iedereen slaapt als een roos en de wacht verveelt zich stierlijk. Hij komt op het idee om alle laarzen te verwisselen en ze met veters aan elkaar te binden. De volgende morgen tasten de slaperige manschappen naar hun laarzen en treffen de aan elkaar geknoopte paren aan. Woede en paniek, want de tijd tot aan het ontbijt voor het wassen, aankleden en het sjorren van de kooi is beperkt. Daar komt niets van terecht. Eerst moeten alle knopen worden losgemaakt en daarna roept iemand alle honderdzestig nummers stuk voor stuk op tot de eigenaars zich melden. Vrijwel iedereen arriveert te laat op het ontbijt en op het appél. De kazerne staat op z'n kop. De commandant ziet er weliswaar de humor van in, maar laat dit niet tot uiting komen in de strafmaat. De grappenmaker krijgt een flinke douw. "Maar ik heb nog nooit zo'n leuke wacht gelopen," verklaart hij later glunderend. "De aanblik van al die slaperige kerels op zoek naar hun laarzen zal ik niet snel vergeten."

Als de stroom nieuwelingen weer wat af begint te nemen, kan ik weer fulltime gaan schoonmaken. Dat begint me al snel danig de keel uit te hangen en ik wil ook wel meer dan alleen matroos zijn. Ik besluit te proberen seiner te worden. Alweer mis, want er is geen plaats en ik word eerdaags toch naar de tropen uitgezonden, zo delen mijn meerderen mij mede. Dat lijkt me geen goed idee, want ik heb het zo als het nu is wel naar mijn zin. De extra inkomsten zijn weliswaar verdwenen, maar ik kan in ieder geval regelmatig met Loes uit, dus voor mij hoeven die tropen niet zo nodig. Maar mijn moeder denkt daar anders over, ze rekent uit dat ik wel duizend gulden kan overhouden als ik in de tropen een beetje zuinig aan doe. Zoveel spaargeld betekent volgen haar de complete inrichting van een huis en dan van alles ook nog twaalf stuks. Zou het mij lukken daar nog eens tweehonderdvijftig gulden bij te sparen dan is er zelfs voldoende geld om een babyuitzet te kopen, inclusief een kinderwagen.

Bovendien mag ik toch niet trouwen voor mijn vijfentwintigste. En de termijn van drie jaar is best te overzien. Voor ik er erg in heb beschik ik over een tropengarderobe en heb ik recht op tropenverlof. Op 8 oktober 1939 zal ik met de J.P. Coen' naar Lissabon vertrekken. Ik vind het nog steeds geen aanlokkelijk vooruitzicht. Mijn ouders en Loes, met wie ik inmiddels officieel verloofd ben, begeleiden me naar het schip. Mijn wader knijpt bij het afscheid m'n hand vrijwel fijn. Moeder huilt, zoals zo vaak, en Loes kan haar tranen maar nauwelijks bedwingen. Het is maar goed dat we geen van allen weten wat ons boven het hoofd hangt.
Wordt voortgezet

Geen opmerkingen :