zaterdag 11 maart 2017

Eindeloze Nacht van Jan Douwes 2

27 februari 1942 23.32 uur
Plotseling is de hemel hel verlicht. Japanse vliegtuigen laten lichtfakkels aan parachutes neer. Het zijn er zoveel dat het wel dag lijkt. We zijn cen helverlicht en kwetsbaar doelwit geworden. Ik sta op mijn post bij het kanon, klaar om te vuren, als er een geweldige explosie door het schip siddert, en we scherp overhellen naar stuurboord. We zijn geraakt door een torpedo. De kampanje is afgebroken en het achterschip verdwijnt in de golven. De achterste munitiebergplaats is getroffen, evenals een van de machinekamers. Op het afweerdek, waar de 40 mm. luchtafweermitrailleurs staan, breekt een felle brand uit. De granaten in het munitiedepot ontploffen en vliegen vanuit de vuurzee alle kanten op.

Kanon zeven, de positie waar wij overdag dienst hebben gedaan, is met het achterschip verdwenen. Kanon zes is door de kracht van de explosie van de fundering getild en door het dek de longroom in gezakt. De granaten van 28 kilo die in de flesserekken zijn opgeslagen rollen over het dek en kneuzen benen en voeten van manschappen, die naar alle kanten wegrennen. Sommigen blijven kreupel liggen. Anderen schreeuwen wanhopig: "Ik moet naar de ziekenboeg !" Alles begint te schuiven. Het schip ligt stil, maar maakt zware slagzij over stuurboord en loopt vol. Twee minuten na onze treffer wordt ook de Hr. Ms. De Ruyter met een torpedo fataal geraakt. Ik voel dat dit het einde van ons schip is. Wim en ik zijn even verstijfd van schrik. Er wordt van alle kanten geroepen dat we het schip moeten verlaten. Ik zie de paniek in de ogen van Wim. Hij kan niet goed genoeg zwemmen en heeft geen zwemvest. Ik ook niet. Bijna niemand heeft er een. Die liggen op een rek in het trappenhuis, omdat het commando Bever meer ruimte aan dek had voor munitie dan voor zwemvesten. Het bevel om het schip te verlaten verandert de manschappen in radeloze vluchters, die allemaal naar het trappenhuis stormen om een zwemvest te bemachtigen. "Niet doen, Wim," schreeuw ik en hou hem vast, want ik zie was hij van plan is. Maar hij is niet meer aanspreekbaar. "Niet doen !", roep ik nog een keer, maar het is tevergeefs. Hij rukt zich los en rent als een bezetene in de richting van de plek waar de zwemvesten liggen. Ik ren achter hem aan. De deur aan bakboord van het trappenhuis kan niet meer open.

Iedereen uit de verblijven en van de brug moet door de stuurboorddeur om aan dek te komen. Maar van de kant van het dek probeert iedereen zich een weg naar binnen te vechten om bij een zwemvest te komen. In hun paniek slaan en trappen de mannen als wilde beesten op elkaar in en er heerst totale chaos. De smalle doorgang vult zich met een tapijt van menselijke lichamen, sommigen bewusteloos of dood, waaroverheen anderen wanhopig proberen zich een weg te banen. Het is een afschuwelijke aanblik.

Ik zie Wim liggen, half bedekt door andere lichamen Zijn ogen zijn open, maar hij geeft geen tekenen van herkenning. Ik voel me machteloos omdat ik niets meer voor hem kan doen. Ik weer dat ik me van de plek van deze waanzinnige veldslag moet verwijderen. Ik kijk nog een keer om; Wims ogen zijn dicht. Het is het laatste dat ik van hem zie.

Ik moet m'n hersens erbij houden en me niet laten meeslepen door de paniek. Samen met een konstabel probeer ik een paar vlotjes los te maken, die met sliphaken aan het dek zijn vastgemaakt. Met onze kistjes trappen we er uit alle macht tegenaan om de haken los te krijgen, die dik onder de verf zitten. Het lukt ons er eentje vrij te krijgen en we kieperen het overboord met een luidkeels 'onderuit !'. Ik kijk waar het vlot terechtkomt en zie tot mijn ontzetting dat het beneden al krioelt van de mensen, die zonder zwemvest proberen het hoofd boven water te houden. Ik realiseer me met een bang gemoed dat ik er waarschijnlijk een paar met het vlot heb doodgegooid en we laten de rest van de vlotjes met rust. Ik zie dat veel mannen vanaf het dek naar beneden springen, waar ze bovenop de drenkelingen terechtkomen. Ook dat kan alleen maar doden opleveren. Er strompelt een kwartiermeester op me af. Hij smeekt me om hem naar de ziekenboeg te brengen. Zijn hand is eraf geslagen en het bloed spuit uit zijn onderarm. Even later zakt hij in elkaar en sterft ter plekke.

De konstabel roept : Ik ga naar midscheeps. " Anderen brullen : "Schip, verlaten !", en dat lijkt mij veel verstandiger. Ik kleed me uit tot ik alleen nog in m'n zwembroek ben, die ik vanmorgen vlak voor het alarm had aangedaan in verband met plunjewassen. Het schip, maakt steeds meer slagzij, en ik loop naar de geusstok, het voorste vlaggemastje. Als ik naar beneden kijk, zie ik geen drenkelingen. De afstand tot het water is ongeveer twaalf meter. Ik haal diep adem en spring. Ik zink meters in het lauwe, zoute water en als ik weer bovenkom zwem ik meteen recht vooruit, zo ver mogelijk van de Java vandaan. Een zinkend schip veroorzaakt een enorme zuiging, en voor mij staat vast dat het niet lang meer kan duren voordat de Java, alles en iedereen met zich meeslepend, naar de zeebodem zal verdwijnen. Ik proef stookolie en ontwijk het smerige spul door onder water te gaan zwemmen. Als ik boven kom en geen stookolie meer proef, kan ik even op adem komen. Ik ben ongeveer tachtig meter van de Java verwijderd. Achter me hoor ik het gierende geluid van de lucht die nog in het schip zit en door alle mogelijke openingen naar buiten wordt geperst. Het schip, wordt nog verlicht door brandende munitie en staat recht overeind. Binnen enkele seconden verdwijnt het gierend en sissend rechtstandig onder de oppervlakte en sleurt in een klap vijfhonderd mensen mee de diepte in. Dan hoor ik niets meer

Het is doodstil. Letterlijk.
Wordt voortgezet

Geen opmerkingen :