maandag 20 januari 2014

Marine Gewoonten en Gebruiken 140-141

Marine gewoonten en gebruiken
Nou, Soedah. Je kan als marineman tenslotte overal je oud-collega's ontmoeten. Maar 't was er goed in Soesterberg en we hadden het voordeel, oude herinneringen te kunnen ophalen tijdens een wandeling over en de bezichtiging van het vliegveld. De eerste ontmoeting van de oude scheepsmakkers, waarvan er zoowaar nog een aantal in actieven dienst waren, is een verhaal op zichzelf.
Je was er natuurlijk heen gegaan met in je herinnering het beeld van je collega's zooals je ze 't laatst, ruim 20 jaren terug, aan boord gezien en met ze samen gewerkt had. Stoere zeelui met bruin gebrande koppen, de jongsten van om en nabij de 20, de oudsten niet veel ouder dan 40 jaar. Wat kan 'n mensch in zoo'n korten tijd veranderen !
De kleinen schenen kleiner en plomper, de langeren minder rechtop. Was die man met dat bolhoedje.... kom, hoe heet ie ook weer ?... de seiner, en stond daar niet, zoo waar !, de oud-kapitein der mariniers, die ik aan boord niet anders kende dan in een nauwsluitend uniform - op hoogtijdagen met den helm op ! - nu in een eenvoudig colbertje. En de schipper... en de officier van administratie... enne... ze waren er weer !
Niet allen. Neen, menig scheepsmakker was sindsdien „in de ruiling gegaan" en naar betere gewesten vertrokken. „Er waren er ook, die er niet waren", zooals uit de rollezing bleek, toen deze besloten werd met de vraag, die zoo dikwijls aan boord ook gesteld was : „Zijn er nog, die er niet zijn ?"
Ook de afwezigen hielden we dien dag evengoed in herinnering toen we „aan de bakken" gefloten werden in „Huis ten Halve", waar longroom bij longroom en de rest ieder „op in eigen loopzakje" moest gaan zitten, aan de twee lange, prachtig gedekte tafels en volop „kok schep op" te verwerken ,kregen.
Daar was zoowaar ook nog vertegenwoordiging van de Nederlanders uit Tampico, Mevr. Geytenbeek, de echtgenoote van een der directeuren der Nederlandsche Petroleum Mij. te Mexico, die we met de Cooremans, de Maal en nog een dertigtal andere Nederlandsche onderdanen gastvrijheid aan boord verleend hadden, waaronder 14 dames, elf kinderen en een stuk of wat dienstboden.
Maar 't mooiste komt nog. De „ouwe" liep al dik naar de zeventig en zou in den namiddag te midden van zijn voormalige bemanning komen. Aan het station werd een commissie van ontvangst opgesteld en op de grens van Soesterberg verzamelden zich de rêunisten om den „commandant" in te halen, waarbij een plaatselijk muziekcorps voor de muzikale illustratie zou zorgen en de bevolking van Soesterberg als gebruikelijke omlijsting diende.
Laat nou, toen de „ouwe" in de auto van het station met een driewerf „Hoezee" begroet was en „de stoet" zich in beweging stelde, het muziekkorps den defileermarsch geven ! Niet te gelooven, zooals we toen, sommigen oud en stram reeds, anderen onwennig, maar alien even fier en tot den strot opgekropt van ontroering, voort stapten en soms glunderend even omkeken naar de „ouwe" in de auto ,,hoe we 'm dat nou toch wel gelapt hadden !"
En laat die „ouwe" 't nou betoel betoel te pakken hebben gekregen, diezelfde „ouwe", die op de brug van de „Kortenaer" als 'n harde zeeman kon bulderen tegen den wind en de stormen in, dat de mannen aan dek stijf stonden van de schrik ! En toen we daar allemaal weer stonden rondom den „commandant", met brokstukken van herinneringen in ons aan dien tijd op de oude „Kortenaer", en het muziekkorps het „Wilhelmus" speelde... toen...."
Vandersteng zwijgt.
Ik kijk naar hem op, en alsof hij zich wel heel kinderachtig voelt, draait hij zich om en stapt weg, z'n kop fier omhoog en nog net voldoende bij machte om zonder merkbare ontroering te zeggen : „'t Is genoeg zoo ! Ik moet weg; ik ga probeeren een vooroorlogsch biertje te verschalken".
blz 140 - 141. Eind Marine gewoonten en Gebruiken. Index volgt

Geen opmerkingen :