maandag 9 december 2013

Marine Gewoonten en Gebruiken 92-93

Marine gewoonten en gebruiken
Het stoffelijk overschot, overdekt met de Nederlandsche vlag, waarop zijn gehecht het wapen en de onderscheidingsteekens van den overledene, alsmede de eventueele versierselen van ridderorden, eereteekenen en/of medailles, welke hij gerechtigd was te dragen, wordt vooruit neergezet. Het schip vaart langzaam of ligt gestopt. Op het voorschip formeert zich de stoet, die het stoffelijk overschot driemaal over het dek dragen zal.
Voorop gaan de tamboers en pijpers, de trommen met zwart vlaggedoek overtrokken, de instrumenten voorzien van een strik van zwart vlaggedoek of floers. Als er een muziekkorps aan boord is, volgt dit achter de tamboers en pijpers. Daarna volgen de schepelingen, die bestemd zijn om geweersalvo's of te geven; daarachter volgt het stoffelijk overschot, gedragen door onderofficieren indien de overledene een officier was, door manschappen indien de overledene schepeling was.
Al naar gelang de overledene een bepaalde positie bekleedde, worden bepaalde formaties samengesteld om het stoffelijk overschot in den rondgang over het dek te volgen. Zoodra de baar wordt opgenomen om met den rondgang te beginnen wordt het eerste salvo afgegeven. Passeert het stoffelijk overschot op het achterschip de gewapende wacht, dan wordt het geweer gepresenteerd.
Na den derden rondgang wordt de baar op het half dek neergezet en houdt de commandant een lijkrede. Daarna wordt de doode naar stuurboordsvalreep gedragen, en nadat de eereteekenen en distinctieven zijn afgenomen, wordt, onder het door den chef van de equipage overluid uitspreken der woorden : „één, twee, in Godsnaam !" het stoffelijk overschot over boord gezet en een laatste ,geweersalvo afgegeven.
Naar het aloude gebruik wordt zelfs in onzen tijd nog vendu gehouden van den boedel van den overleden schepeling. De laatste maal, dat ik bij een vendu aanwezig was, was in 1912 aan boord van het wachtschip „Adolf van Nassau" te Willemsoord. Aan stuurboord, ongeveer tegenover de valreep, lagen de kleedingstukken, de kooi, de lijfgoederen netjes gerold of gevouwen, de laken broek, het baadje en pijjekker, de muts en het lint met zestien letters, alles bijeen op het dek.
De commandant, eenige officieren en onderofficieren en vele maats van den overledene stonden er omheen geschaard. De provoost fungeerde als afslager en de sergeant-schrijver noteerde de bedragen, die voor elk kleedingstuk bij opbod werden gemijnd. Ik herinner mij, dat veelal bedragen geboden werden, zoowel door den commandant, de officieren en onderofficieren als door de maats, die ver lagen boven het bedrag, dat de kleedingstukken nieuw uit het magazijn kosten.
Dat was zoo de ongeschreven wet aan boord, dat de bij vendu verkochte kleedingstukken van den overleden scheepsmakker, tegen hooge bedragen werden gekocht en dikwijls weer „op het kleedje" werden geworpen om opnieuw te worden geveild. Want de opbrengst van een dergelijk vendu was voor de nagelaten betrekkingen van den overledene, en dan hebben de scheepsmakkers en de scheepsoverheid altijd een groot hart... Of de vendu in Nederland nog gehouden wordt, weet ik niet. Ik hoorde er nooit meer van. Doch uit Indië zijn mij nog twee gevallen bekend, van 1923 en van 1936, waaruit blijkt, dat dit oude gebruik nog steeds gehandhaafd blijft.
blz 92 - 93. wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :