zaterdag 3 augustus 2013

Broodjes aap. Sterke verhalen uit de Arabische Oostindische Compagnie

Een man vertelt mij op gezag van een matroos op een schip van hem, dat hij in het jaar 309 [dat is 912 AD] op een schip van een van zijn kapiteins naar Qaqula was gevaren. Ze kwamen behouden aan, brachten hun waar aan land en vervoerden een deel naar een stad op zeven dagreizen van zee. Ze trokken de boot aan land in een kleine baai op drie, vier parasangen van Qaqula, wierpen een dam op tussen het schip en de zee, dekten het af en zetten er palen omheen waarmee ze het stutten.
Dan vertelt de matroos : ‘Ze lieten mij achter met de nodige leeftocht en gingen allemaal op weg naar die stad, waar ze zouden blijven om handel te drijven. Toen ze weg waren verscheen er een stel apen die om het schip heenliepen en aan boord probeerden te klauteren, maar ik gooide ze met stenen. Eén behoorlijk grote apin liet zich niet wegjagen en zag kans via een zijkant van de boot aan boord te komen. Ik zat net te eten en gooide haar een stuk brood toe, dat zij opat. Ze bleef een poosje bij me en ging toen weer van boord.
aap

Ze bleef weg tot de avond, toen verscheen zij opnieuw met in haar bek een tros van ongeveer twintig bananen. Ze gaf een schreeuw, ik ging kijken en ze klom aan boord. De bananen legde ze voor mij neer en ik at er een paar op. Daarna bleef ze bij me, en ze liep af en aan met bananen en fruit uit dat groene dal. De nacht bracht ze door op het schip, vlak naast mij. Zo wekte ze mijn begeerte en ik sliep met haar. Nauwelijks waren er drie maanden voorbij of ze werd dikker en begon te lopen als een zwangere vrouw.
Ze wees op haar buik en zo begreep ik dat ze zwanger van mij was. Ik kreeg het erg te kwaad en was bang voor de schande als de mannen terug zouden komen en zouden zien wat er aan de hand was. Uit schaamte nam ik de sloep van het schip en bevestigde er een mast, zeilen en een anker aan. Ik zorgde voor waterzakken en proviand, pakte mijn kleren en wat ik verder nog had en bracht het aan boord. Ik wachtte een ogenblik af dat de apin er niet was, ging aan boord van de sloep en voer uit, het grote risico op de koop toe nemend. Het schip liet ik onbemand achter.
Na meer dan twintig zām landde ik op een van de Andamanen, nadat ik bijna omgekomen was van ellende, en ik verbleef enige dagen op dat eiland om tot mezelf te komen. Ik dronk van het zoete water dat daar was, at vruchten en bananen en herstelde. Op dat eiland heb ik niemand gezien behalve een paar vissers in bootjes die tussen de bomen aan land gingen. Toen ging ik de zee weer op, zonder te weten waar ik terecht zou komen, en voer ongeveer 70 zām tot ik belandde ik op een eiland dat Badfār Kalah (?) heette. Daar bleef ik tot ik weg kon komen naar Kalah.
Na enige tijd ontmoette ik de eigenaar en de opvarenden van mijn schip en vroeg wat hun was wedervaren. Ze zeiden dat ze naar die plek waren teruggekeerd en aan boord van het schip een apin hadden aangetroffen die een paar aapjes ter wereld had gebracht, met gezichten die op mensengezichten leken, met onbehaarde borst en met staarten die veel korter waren dan apenstaarten.
Ze hadden al gedacht dat die apin zwanger was geworden van mij en dat ik gevlucht was in de sloep, omdat zij niets misten behalve de sloep en mijn spullen. Sommigen dachten dat de apin mij had gedood en dat de sloep was gestolen door een passant of een visser; ze lieten het in het midden. De apin en haar kroost hadden ze met stenen weggejaagd.
Mijn zegsman vertelde nog dat die matroos erg slecht zag en dat hij desgevraagd had gezegd : ‘Ik zag zo slecht dat ik niet merkte dat ik met een apin sliep. Tijdens mijn verblijf op zee was mijn gezichtsvermogen steeds slechter geworden.’**
**Mensen kunnen geen kinderen krijgen bij apen; als dat wel het geval was hadden we het allang geweten. De jonge moeder moet dus echt een inlandse vrouw zijn geweest… .

Geen opmerkingen :