donderdag 27 juni 2013

Schetsen en Humor 113

hoofdstuk 4- Marineschetsen van 1900 tot den Mei-oorlog 1940.
Deze loopt echter lens, ,,potverdraaid nog toe, dat zal me nou gebeuren", nijdigt de Blazer. Doch als hij den ketel op de hand weegt, valt het nog al mee. Nu de ketel boven de groote vlam gehangen en in een oogenblik is het beetje water aan den kook. Het is maar goed dat hij schoor zit, want hier lijkt het wel of het schip veel erger slingert dan op de brug. Filtreeren, dáár kan nu niet aan gedacht worden.
Als het water kookt gooit Blazer de heele inhoud van het laadje resoluut in het keteltje. Deksel er op! Hij grinnikt van genoegen. Wat een spul om een kop koffie, dacht hij — terwijl hij het laadje laat vallen. Even laat hij de zaak nu trekken en komt dan plotseling tot het besef, dat hij voort moet maken !
Maar... suiker ! melk, mijnheer houdt wel van pittige dingen, doch is zeer zeker op zoete sterke koffie gesteld — en is daarvoor dezen nacht in goed gezelschap! Er is echter niets ! Daar ontdekt hij in de kast een blikje gecondenseerde melk ! Nu heeft Blazer melk en suiker tegelijk !
Alles laat hij in het keteltje gulpen en deponeert het dan maar in den hoek van de hut, waar de snelkoker ook verdwenen is. ,,Voort maken, joh !" moedigt hij zichzelven aan. — Nu staat hij bij de deur, zich knijpzettend tegen de glazen kast en pakt een groote kop van een haak.
Ik moet toch eerst proeven of het brouwsel deugt, zegt hij voor zich uit en schenkt zich een halve kop in. In de eene hand nu het keteltje, in de andere de kop met het bruine vocht. Hij zet de kop aan den mond, doch ondanks hij een ,,looden voering" heeft, brandt hij zich bijna. ,Heerlijk is het, laat nu de zeetjes maar komen ! Het zetsel is net goed van zoute", juicht de Blazer en meteen verdwijnt de kop tusschen het blauwe hemd, onder de jekker en klimt de nachtelijke koffiezetter weer naar dek, behoedzaam zijn keteltje tegen wateraanvallen beschermend. Maar met één hand vrij is dat een heele toer, doch dan is Blazer, grijpend waar hij kan, weldra aan de brugtrap, die hij aan lij opklimt.
Zijn superieur had reeds dikwijls naar hem uitgekeken. ,,Drommels, jongen, wat duurde dat lang, ik dacht dat je....maar hij spreekt de zin niet uit, want de kletsnatte matroos le klas, heeft nu de kop voor den dag gehaald, giet deze vol gloeiende koffie, zet het keteltje tusschen zijn voeten op dek en reikt den officier, terwijl hij tevens, het roer snel overneemt, de koffie over. Deze slurpt met zóóveel welbehagen van de gloeiende heete zoete koffie, dat het voor den Blazer de grootste dank is, die hem gebracht kan worden. Mijnheer smakt met de tong langs den dikken zwarten knevel en zegt : ,dat is de heerlijkste koffie die ik óóit van m'n leven gedronken heb". Daarna schenkt hij den roerganger in dezelfde kop uit het keteltje en houdt nog even het roer om Blazer rustig te laten genieten.
De rest van de hondewacht zijn beiden stil. De officier zou van den matroos en deze van den officier iets meenemen, straks bij het verlaten van het schip, waaraan zij nog lang zullen terugdenken." Vandersteng zwijgt eenige oogenblikken na deze citaten van Mollema en van Van Everdingen. „Twee kankeraars," zegt hij dan, „maar lui met een echt marinehart ! En die klassenstrijd ? Klets ! Als 't er op aan komt, kon je op den marineman van dien tijd evengoed rekenen als op den marineman van heden."
In 1910 is de Minister van Marine gezwicht voor den aandrang den toelatingsleeftijd voor de opleiding tot matroos te verhoogen. Ik wil niet beweren, dat deze maatregel fout is, want sedert enkele jaren ligt de grens nog iets hooger en het gehalte van de jongens in opleiding is er in de laatste jaren niet door verslechterd. Het komt er maar op aan hoe de toelatingseischen zijn !
Maar omstreeks 1910 waren de gevolgen van deze verhoogde leeftijdsgrens funest. Tot de mobilisatie 1914 druppelde de toename nog door, doch toen reeds werd het tijd andere voorzieningen te treffen. Het tekort aan frissche, jonge en ontwikkelde krachten werd onrustbarend. Velen van hen die na het verlaten van de schoolbanken een goed baantje kregen, dachten er niet aan op 16 A 17 jarigen leeftijd nog naar de marine te gaan.
De minder goeden of zij, die alleen maar op voordeel uit waren, gaven aan den oproep gehoor vrijwillig dienst te nemen. Er kwamen twee soorten van marinepersoneel. De K-D'ers, matrozen met kort dienstverband van 3.5 jaar actief en 1.5 jaar reserve; en leerlingen-onderofficier. Met deze eerste, groep dacht men het matrozentekort aan te vullen, de tweede groep zouden ,,de betere klasse" vormen en onderofficieren kweeken. De toeloop voor de K-D'ers was bevredigend. Geen wonder. Ze kregen een spaarbankboekje, waarop in Nederland elke maand 8 gulden en in Indië 12 gulden werd bijgeschreven.
Wordt vervolgd..

Geen opmerkingen :