dinsdag 7 augustus 2012

De ontwikkeling van de radio verbindingsdienst 1

De geschiedenis van de radio- en verbindingsdienst
Overgenomen uit Vast Werken, het officieel orgaan van de AVOM (Algemene Vereniging Oud-personeel van de koninklijke Marine), juni 2003
Zonder verbindingen kan een vloot niet opereren. De oudste manier van communiceren op zee blijkt (voor zover bekend) een seinbrief te zijn van Hendrik van Borselen (1394-1474), waarmee, door middel van ‘banieren’ met elkaar werd ‘gepraat’. In de seinbrief werden elf seinen vermeld, maar ten tijde van onze grote vlootvoogd Michiel, A. de Ruyter was dat aantal reeds tot 44 stuks uitgebreid. Ook gebruikte men in dien tijd postduiven die tot de uitrusting van het schip behoorden. Vice-admiraal J. H. van Kinsbergen was de man die voor het eerst in 1757 het 'Groot Seinboek' uitgaf. Pas in 1890 kwa­men er veranderingen en verscheen er een nieuw seinboek. Nieuw was ook de invoering van het armsein­toestel, uitgevonden door de toenma­lige Luitenant ter Zee 1 C. Vreede. In 1897 ontwierp hij een geheel nieuw stelstel van 24 seinvlaggen en daarmee overeenkomende 24 standen van de semafoorarmen.
De geschiedenis van de draadloze telegrafie in Nederland begon echter in 1899 met een verzoek van Lloyds Committee te Londen om in het belang van handel en scheepvaart geheel op eigen kosten een Marconi-­toestel te mogen plaatsen en exploi­teren op het lichtschip Maas.
Inwilli­ging van dit verzoek zou echter de Nederlandse zelfwerkzaamheid op dit nieuwe arbeidsterrein voor lange tijd aan banden leggen en verstrek­kende gevolgen kunnen hebben, voor zowel de telegraafdienst als voor de Nederlandse marine die bij de toepassing van dit nieuwe stelsel even­eens grote belangen had.
Deze over­wegingen kwamen tot uiting in een afwijkende houding ten aanzien van buitenlandse inmenging en bij geza­menlijke beschikking riepen de ministers van waterstaat, land­bouw, nijverheid en die van marine een commissie in het leven om advies uit te brengen omtrent de mogelijkheid van een draadloze ver­binding tussen het lichtschip Maas en Hoek van Holland. Men ging dus een stap verder dan het voorstel van Lloyds en betrok in het plan een kuststation, dat enerzijds nodig was om seinproeven te kunnen doen met het lichtschip en anderzijds om een verbinding met het bestaande tele­graafnet tot stand te brengen.
Het resultaat van de experimenten, met toestellen van Ducretet uit Parijs, was weinig bevredigend. Het zwakke punt was en bleef de ont­vanger aan boord van het lichtschip. De minister van marine stelde intussen Hr. Ms. Evertsen voor proef­nemingen ter beschikking. Het pantserschip werd daarbij van een Marconi-installatie voorzien en zou op een afstand van 50 zeemijlen in verbinding worden gebracht met een voor die proef op het Wilhelmina wandelhoofd te Scheveningen op te richten tegenstation.
Over de resul­taten van deze, op 25 april 1902 gehouden proef zijn geen gegevens meer beschikbaar, maar uit het feit dat zelfs op het lichtschip Maas de tekens konden worden ontvangen, mag men concluderen dat de demon­stratie een vlot verloop had.
Vergelijkende systemen
Bij ministeriële beschikking van 7 mei 1903 nummer 58 werd door de minister van marine een commis­sie benoemd met de opdracht om, na het nemen van vergelijkende proeven met toestellen voor draadloze telegrafie, advies uit te brengen omtrent het aanschaffen van een aantal toestellen. Drie systemen werden onderzocht, dat van Branly-Pop (Société Fran­caise de Télégraphie et Téléphonie sans fils te Parijs), het systeem Telefunken (Gesellschaft für draht­lose Telegrafie Telefunken te Berlijn) en dat van Marconi (Marconi Wire­less Telegraph Company te Londen).
De resultaten van het Franse systeem waren bedroevend. Heel anders lag de situatie met Marconi. Hun apparatuur kon alleen in huur worden verkregen. De bediening mocht door marinepersoneel geschieden, maar men moest van de ingebouwde fabrieksgeheimen afblijven. Voor de Koninklijke marine was dit volstrekt onaanvaardbaar.
In januari 1904 ging men met Telefun­ken in zee en werden uitgebreide proeven gedaan. Eerst tussen Amsterdam en Kampen, daarna tussen Groningen en Hoek van Holland. De toestellen in Amsterdam stonden opgesteld in een loods op de marinewerf, terwijl antennes waren opgezet in de masten van de ‘Admiraal van Wassenaar'.
In Kampen hingen de antennes in top aan de toren van de Grote Kerk en in Groningen werd vanzelfsprekend de Martinitoren als steunpunt gekozen. De grondige afwerking van de Telefunkentoestellen en de grote openheid waarmee de Duitsers alles demonstreerden wekten vertrouwen bij de marineleiding.
Begin oktober 1904 werden de stations, behalve dat van Amsterdam, afgetuigd. Eén station werd opgesteld aan boord van Hr. Ms. Hertog Hendrik, terwijl een tweede aan boord van dit pantserschip werd meegenomen voor proe­ven in Nederlands Indië.
Op 9 november, dus eigenlijk nog voordat de 'Dienst der Draadloze Telegrafie' officieel bestond, werd het eerste telegram naar paleis Het Loo gestuurd. Het antwoord van de Koningin werd hierop door de Admi­raal van Wassenaar overgevonkt naar de Hertog Hendrik, dat nog veertien uur contact kon houden met het station in Amsterdam.
Nieuwe dienst
Op 5 december 1904 werd bij Ministeriële beschikking S/B nummer 66 de 'Dienst der Draadloze Telegrafie’ ingesteld door de toenmalige minister van marine, vice-admiraal A. G. Ellis. Als chef van deze dienst werd aangewezen de Kltz H. T. Hoven. Het seinwezen en de dienst der draadloze telegrafie, later de radiodienst genoemd, zou­den in de toekomst uiteindelijk samensmelten tot de marine verbin­dingsdienst.
De opleiding van het personeel werd ter hand genomen. In de eerste jaren was men het er nog niet over eens of men voor het telegraferen het Vreede- dan wel het Morsesysteem zou gebruiken. Omdat bleek dat het systeem van Vreede niet geheel vol­deed, ging men in 1906 voor zowel licht- als telegraafcommunicatie over op het Morsesysteem.
Voor armsei­nen bleef het Vreedestelsel gehand­haafd. Zelfs nog tot in 1942. Zoals aangehaald bestond het optische seinwezen toen allang en dus ook het brevet 'seinder' voor matrozen. Uit hen werden de toe­komstige seiners gekozen om te wor­den opgeleid tot seiner 1e klas.
Bij ministeriële beschikking van 26 juni 1913 nummer 45 werd een nieuw reglement van de opleiding tot seiner en telegrafist vastgelegd waarbij onder meer werd bepaald dat de sei­ners 1e klas voortaan, in verband met hun gewijzigde werkkring de naam zullen dragen van telegrafist.
Dit reglement trad op 1 juli 1913 in werking. De opleiding, ook die van de officieren die zich in dit nieuwe vak gingen specialiseren, was in Amsterdam en is daar altijd geble­ven.
Amsterdam als centrum.
Het centrum, waar vanuit de dienst der draadloze telegrafie zich verder ontwikkelde was Amster­dam, waar in 1908 een goed geoutil­leerd walstation werden opgetuigd. Eigen magazijnen kwamen tot stand, evenals een werkplaats waar werd begonnen met de bouw van zenders voor eigen gebruik. Een Nederlandse radio-industrie was er eigenlijk niet; men moest zelf impro­viseren en onderzoeken. Tijdens de eerste wereldoorlog had men natuurlijk ook grote problemen om aan onderdelen te komen.
Ook in de koloniën.
Omstreeks 1905 had men in Nederlandse Indië ook al radiover­bindingen weten te maken. Aange­zien men uitsluitend langegolf­uitzendingen gebruikte, werden daar de luchtstoringen en het verlies aan energie bij het seinen over zwaar begroeid bergterrein als bezwaren ondervonden.
Toch had men al goede resultaten, zoals bij­voorbeeld bij de Boni- en Lombok­expeditie. West Indië bleef echter niet ach­ter, want in 1908 werd op Curaçao het eerste grote radiostation op het Riffort opgericht.
In tien dagen wer­den twee masten van elk 40 meter hoogte neergezet. Ook hier bewees het goed diensten gedurende de blok­kade van Venezuela. Het had een bereik van 2.000 kilometer waar­over men verbinding maakte met Hr.Ms. Gelderland.
In 1916 hoorden telegrafisten in Sabang de seintekens van het Duitse langegolfstation Nauen. Dit was een stimulans om een wereldra­diostation te bouwen, temeer omdat men zo gedurende de oorlogstijd con­tact kon houden met de Neder­landse schepen, waar zij zich ook zouden bevinden. De voorstellen in deze richting leidden echter tot niets.
De PTT kreeg voorrang, zodat in 1922 de langegolfzender Kootwijk in verbinding kon treden met het station op Malabar dat al eerder gereed was. Aan dit laatste station hadden echter ook. radio-officieren van de Koninklijke Marine meege­werkt.
Versnelde ontwikkeling.
Bij het beëindigen van de eerste wereldoorlog kon een krachtige ont­wikkeling van de draadloze telegra­fie worden verwacht, mede door de opkomst van de radiobuis. Deze vond al snel toepassing in de instal­laties van de nieuwbouwschepen (onder andere Hr. Ms. Java). In 1919 werd naam 'Dienst der Draadloze Telegrafie' gewijzigd in 'Marine Radiodienst'.
Het terrein waarop deze dienst zich bewoog werd meer en meer omvattend. De taak van de chef van de Marine Radiodienst werd een tweeledige, namelijk een staftaak, waarin hij de chef van de marinestaf advi­seerde inzake aanschaffingen, nieuwbouw, onderhoud op het gebied van verbindingen, codes, personeelsaangelegenheden en een materieelzaak, waarin hij de chef materieel adviseerde.
De opleiding van radio-officieren en telegrafisten geschiedde onder zijn leiding. Het materieel, tevoren voor een groot deel van buitenlandse origine, moest in deze tijd, mede in verband met economische en financiële rede­nen, meer en meer uit eigen land betrokken worden.
De ervaring op het gebied van fabricage van mili­taire apparatuur was hier nog niet van dien aard, dat het onberispelijk kon worden geleverd. Door nauwere samenwerking met de industrie slaagde de marine radiodienst er echter in om binnen enkele jaren de achterstand in te halen en appara­tuur te leveren welke voldeed aan de eisen van de Koninklijke Marine.
Aan de werkplaatsen van de radiodienst werden steeds hogere eisen gesteld. Het is dan ook in de jaren 1921 dat een zogenaamd 'radioatelier' in Amsterdam tot stand kwam. Het was de voorloper van het Marine Elektronisch- en Optisch Bedrijf te Oegstgeest.

Geen opmerkingen :