maandag 9 juli 2012

Rode Matrozen 020

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
De Roode Week (vervolg)
Volgens K. Prins, majoorschrijver en secretaris van de 'Algemeene Bond van Onderofficieren', was er op 12 november te Willemsoord nog niets bekend van een 'roode week'; pas op 13 november drongen de 'roode geruchten door." Dit is onwaarschijnlijk, zeker gelet op de moderne communicatiemiddelenn waarover de zeemacht beschikte. Op 11 november verspreidde zich het nieuws dat de bemanning van post 15 van de militaire kustwacht bij Egmond aan Zee een soldatenraad opgericht had. De raad verzocht verschillende groepen om medewerking.
Na enkele dagen hield de soldatenraad weer op te bestaan. Als reden gaven de zeemiliciens op, de genomen maatregelen van de regering. De bedoeling van de soldatenraad was het zich 'onthouden van elke actie en reactionaire handelingen. Zeer waarschijnlijk betrof het hier een vorm van soldatenoverleg, die de goedkeuring had van de militaire autoriteiten. Dit was echter in algemene zin niet bekend.
Iedereen moet op maandag de 12de op de hoogte geweest zijn van de rode geruchten. Alle avondbladen maakten melding van het socialistische manifest van de SDAP. De vlootvoogd zei in het gesprek van 12 november echter niets over Troelstra of over een eventuele omverwerping van het gezag.
Dat komt overeen met hetgeen Michels in Het Vaderland schreef : 'Over de mogelijke revolutie is met geen woord gesproken.' Hij voegde daar onmiddellijk aan toe : 'hoewel ieder begreep, dat het de kern der bespreking moest vormen.' Albarda stak zijn kop in het zand, hij wilde uitvinden in hoeverre de bonden een omwenteling zouden ondersteunen.
De schout-bij-nacht sprak als stellingcommandant 'als een soort vader van het groote gezin', die niet alleen de belangen van de militairen, maar ook die van de burgerbevolking te behartigen had. Hij opperde de mogelijkheid, dat binnenkomende vluchtelingen en 'losgebroken geïnterneerden de orde binnen de stelling Den Helder zouden kunnen verstoren en dat zij de toch al schaarse rantsoenen van de bevolking zouden opeten. Zeer waarschijnlijk doelde hij met deze opmerking op de in het interneringsdepot Bergen (NH) aanwezige Duitse militairen die dezelfde dag een soldatenraad hadden opgericht.
De burgerautoriteiten waren hiervan niet op de hoogte gesteld. De notulen van de op 12 november gehouden vergadering van Burgemeester en Wethouders vermelden overigens niets wat duidt op een bespreking van een heersende of naderende onrust. Het belangrijkste gespreksonderwerp vormde de verhoging van het kolenrantsoen.
De schout-bij-nacht deed een beroep op de deelnemers aan het overleg om mee te helpen aan de handhaving van orde en rust en vroeg aan de besturen advies, hoe in die omstandigheden te handelen. De bestuursleden waren hierover verwonderd.
Prins merkte op : 't klonk zoo vreemd in een dergelijke zaak om advies te worden gevraagd.' Zij gaven dan ook geen antwoord en wilden het liever hebben over hun eigen problemen, zoals de waslijst van klachten en wensen met betrekking tot het personeel.
Ze waren toch al niet tevreden met de behandeling van hun klachten. Prins schreef : 'We deden als ons gevoelen blijken, dat het aanhoudend negeeren onzer belangen zich zou wreken, hoewel op de goede trouw der onderofficieren tot heden niets viel af te dingen.' Volgens hem waren velen : verbitterd door de lange reeks van weigeringen op hunne verzoeken, van het niet beantwoorden van andere, teleurgesteld door het feit, dat, waar de Minister van Oorlog allerlei verbeteringen en democratische maatregelen voor het landmachtpersoneel toezegde, de Minister van Marine bleef zwijgen.
Albarda liet weten dat het onder de gegeven omstandigheden niet het moment was om klachten te uiten. Ten aanzien van de door hem gestelde vraag verzochten de bestuursleden om beraad. De bonden waren niet onder de indruk. Michels stuurde op dezelfde dag een brief naar alle afdelingsbesturen en correspondenten van de B.V.M.M.P.
In deze brief stond dat hett hoofdbestuur zou deelnemen aan het SDAP-NVV-congres van 16 en 17 november. Ook formuleerde hij, onder verwijzing naar de door de minister van Oorlog toegezegde hervormingen, nogmaals de ook bij de SDAP-fractie bekende eisen :
1) De militie wordt niet onvrijwillig naar Indiëgezonden.
2) Invoering van een wettelijk geregelde rechtspositie.
3) Vrijheid van politiek-geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling.
a. Vrijheid van vereniging en vergadering.
b. Vrijheid van lectuur.
c. Opheffing der schorsingsmogelijkheden van de uitoefening kiesrecht en de verkiesbaarheid.
4) Erkenning der vakorganisatie.
a. Overleg met de besturen.
b. Medezeggenschap in zaken, de belangen der schepelingen direct rakende.
c. Wijziging verzoekrecht, zodat weer namens de schepelingen kan worden opgetreden. getreden.
5) Hervorming van het militair straf- en tuchtrecht.
a. Afschaffing militaire rechtspraak in tijd van vrede.
b. Intrekking van de invoeringswetten van de in 1003 aangenomen militaire straf- en tuchtwetten.
c. Hervorming tuchtrecht door invoering voorwaardelijke strafopschorting invoering van tuchtraden, afschaffing provooststrafen schorsing der straf bij beklag.
d. Afschaffing militair saluut buiten dienst en bevoegdheid buiten dienst in burger te lopen.
Michels vond het nu tijd voor het binnenhalen van bovenstaande eisen : 'Overal om ons heen schudt het oude militaire stelsel op zijn grondvesten of valt uiteen. Alleen door tijdig de noodige koerswijzigingen aan te brengen, kan dat hier worden voorkomen.
Hij was ontevreden over het niet uitnodigen van de B.V.M.M.P op de Rotterdamse bijeenkomst dat het program van de B.V.N.D aannam. Dat was volgens hem de oorzaak waarom het programma voor de matroos vaag en onvolledig was.
De brief kenmerkt zich door het steeds weer benadrukken van orde en organisatie. Het hoofdbestuur voorzag dat met de aankomende demobilisatie een deel van de leden en het bondskader (natuurlijk vooral de dienstplichtigen) zou vertrekken.
Er volgde een oproep tot extra inspanningen om nieuwe leden te rekruteren. Over de soldatenraden schreef Michels :
De Soldatenraden, die wij in Rusland Oostenrijk en Duitschland hebben zien ontstaan, zijn hier onbruikbaar maar ook onnoodig. In die landen bezaten de militairen geen organisatie, zooals hier, dus verschijnen die raden als uit den nood geboren organen.
In feite wilde hij geen revolutie, maar de geleidelijke overgang van de macht in sociaal-democratische handen. Kennelijk was de voorman van de matrozenbond bang om het initiatief te verliezen en links ingehaald te worden.
Als de raden toch ontstonden diende de bond klaar te zijn 'om niet alleen tot steun te zijn van de nieuwe beweging, maar ook om te zorgen, dat die beweging ordelijk verloopt'. Michels eindigde zijn brief met :
Gaarne ontvangt het Hoofdbestuur vóór zaterdag) bericht, of naar Uw meening de stemming der schepelingen bij U aan boord zoodanig is, dat een eventueele leiding onder SDAP en NW van 's lands zaken onvoorwaardelijk zal worden aanvaard. Of zij dus op Uw moreelen steun kunnen rekenen..
In navolging van de B.V.N.D wilde Michels dat zijn afdelingen na de machtsovername een politieke functie zouden vervullen. Onduidelijk is hoe Michels dacht om binnen een paar dagen alle afdelingen, zeker die op de schepen, te kunnen bereiken.
Hij vervolgde zijn brief aan de afdelingsbesturen en correspondenten met een oproep om 'syndicalistische pogingen onder leiding van Wijnkoop tot de stichting van soldatenraden door te geven aan het hoofdbestuur.
Michels wees daarbij in het bijzonder op pogingen om "door geheime propaganda miliciens tot die malligheid van soldatenraden te brengen". Dit geeft aan dat er pogingen in die richting werden ondernomen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze slaagden.
Wordt vervolgd
Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :