dinsdag 3 juli 2012

De rode garde in Nederlands-Indië 05

De rode garde in Nederlands-Indië
De extreme levensomstandigheden van soldaat en matroos in Nederlands-Indië vervolg
Ten tijde van de Russisch-Japanse oorlog in 1905 vond een andere actie tegen de marineautoriteiten plaats. Toen het eskader in Tandjong-Priok (bij Batavia) lag, belegden de mannen aan boord van het pantserschip Koningin Regentes een vergadering onder voorzitterschap van matroos eerste klasse J. Gayaard. De tussenkomst van een sergeant van de mariniers onderbrak de vergadering. Na een korte woordenwisseling liet hij Gayaard bij de officier van de wacht brengen. De vergadering werd aan wal voortgezet. Gayaard werd gedegradeerd tot matroos derde klasse en naar Nederland teruggestuurd. Bij zijn terugreis passeerde het passagierschip waarop hij voer verschillende marineschepen, zoals de Gelderland, Noord Brabant, Holland en Koningin Regentes. Op ieder schip klonk enorm gejuich en hieven matrozen het lied van de B.V.M.M.P aan.
In 1912 was er verder het 'De Ruyter-incident'. Aardappelen schillen was gezien de grote hoeveelheden waarin deze werden gegeten een heel werk. Op 4 september van dit jaar was er op het pantserschip De Ruyter te weinig personeel beschikbaar. Terwijl een deel van de schillers een ander klusje opgedragen kreeg, moesten de anderen de aardappels die op het dek lagen bij elkaar vegen met bezems die bedoeld waren voor het schoonmaken van dee urinoirs. Omdat de matrozen draalden, werden enkelen gearresteerd. Zestig bondsleden wilden een verzoek om vrijlating indienen bij de commandant, maar de afdelingsvoorzitter J. Oosterbaan was tegen. Een week later kwam het toch tot een uitbarsting. Aanleiding was voedsel waarvan dee houdbaarheidsdatum ruimschoots overschreden was. De matrozen weigerden vervolgens aardappels te schillen. Volgens een verslag gemaakt door Oosterbaan, dat uiteindelijk in het bezit van Troelstra zou komen,
kan men deze behandeling beschouwen als een wanhoopsdaad. Men was tot alles in staat en des avonds pleegde men (zeer afkeurenswaardig) sabotage, daarom werd het gewapende zeewacht. Men wilde tijdens het manoevreren de beide ankers laten vallen, len, wat na veel moeite voorkomen werd...
Zondagmorgens werd met vlaggenparade alleen de roode baan geheschen welke ongeveer 5 minuten wapperde en dat op de reede van Soerabaia en op weg naar Makkasser werd 's middags eveneens de roode vlag geheschen waarop de Hertog Hendrik het ons bekend maakte en de daders bekennen en verklaren in de commissie dat ze beter onder roode vaan kunnen leven...
Uit dit rapport blijkt overigens de matigende invloed van de bondsbestuurders op de leden. Dat was conform de politiek van de B.V.M.M.P in Den Helder.. Duidelijk was dat de bond in Nederland en Indië acties georganiseerd en ordelijk wilde laten verlopen en spontaan of syndicalistisch verzet niet wenselijk achtte.
Radicalisering van de mindere marinemannen
Tot 1916 stonden het bestuur in Den Helder en het hoofdafdelingsbestuur (H.A.B.) in Soerabaja met elkaar op goede voet en hadden zij een zelfde beleid. In dat jaar deden zich echter ontwikkelingen voor die het begin zouden vormen van een organisatorisch en politiek schisma in de matrozenbond.
Aanleiding waren de erbarmelijke omstandigheden in het Centrale Burgerlijke Ziekenhuis op Simpang in Soerabaja. Tropische ziekten en venerische besmettingen deden menig matroos of marinier voor korte of langere tijd op de marineafdeling hiervan belanden. Gekomen om te genezen kregen ze te maken met slechte voeding, gebrek aan hygiëne, wandluizenplaag, afwezigheid van praktisch alle elementaire gemakken, afwijzen van bijna alle klachten en vlot op rapport zetten met als gevolg straffen.
De B.V.M.M.P had eerder in november 1915, tevergeefs, de aandacht gevestigd op de toestanden in de militaire hospitalen. Op verzoek van de bond gingen de zieken voort met het op de voorgeschreven wijze indienen van hun klachten. De Bond van Korporaals der Koninklijke Marine bracht 1 maart 1916 een rapport uit over de situatie in het hospitaal te Soerabaja, met als conclusie dat er een nieuw ziekenhuis diende te komen. De autoriteiten waren zich zeer wel bewust van de onvrede onder de militairen. Vice-admiraal F. Pinke schreef :
Hoewel mij nimmer eenige klacht dienaangaande langs den formeelen weg bereikte, reikte, was het mij toch wel hekend, dat zoowel bij officieren als onderofficieren en manschappen der Zeemacht een tegenzin bestaat om zich bij ziekte in het Militair Hospitaal te Soerabaja te doen verplegen. De directie van het hospitaal beschouwdedeze klachten of als onjuist of althans zeer overdreven en schreef ze toe aan de verwendheid van het marine personeel.
Eind 1915 besloten de autoriteiten tot een onderzoek naar de oorzaken van de tegenzin. Maar dit alles ging zeer traag. Pinke verzuchtte dan ook : 'Het valt ontegenzeggelijk te betreuren, dat dit alles zoo langzaam gaat, doch dit is eene algemeene kwaal in deze gewesten.'
Zodoende vormde het ziekenhuis een bron van onrust. In het voorjaar van 1916 escaleerde de situatie. Op 7 april vond een huishoudelijke vergadering van mindere marineschepelingen plaats. Volgens de politie in Tandjong Priok waren er 150 aanwezigen.
Marinier eerste klasse Vijgeboom, van het pantserschip de Koningin Regentes, voerde het woord en deed verslag over de stuitende omstandigheden in het hospitaal. Het eten was slecht (voornamelijk rijst en geen aardappelen) en met de hygiëne was het erbarmelijk gesteld.
De vergadering sprak af om in Soerabaja een optocht te organiseren met borden waarop de verschillende grieven kenbaar gemaakt zouden worden. Zij riep iedereen op zich behoorlijk te gedragen en geen sterke drank te gebruiken. De dag erna was er een soortgelijke bijeenkomst voor de schepelingen die door hun dienst verhinderd waren de eerste vergadering bij te wonen.
Op zondag 7 mei 1916 vond zonder voorafgaand overleg met het H.A.B. de straatdemonstratie plaats. Ongeveer vierhonderd man, voornamelijk bemanningsleden van de pantserschepen Hr.Ms. (Hare Majesteits) De Zeven Provinciën, Hr.Ms. Koningin Regentes, Hr.Ms. Tromp en bemanningsleden van enkele torpedojagers, maar ook verpleegden zelf namen deel. Het H.A.B. van de matrozenbond ontraadde de betoging, aangezien geen vergunning verleend was.
Maar verschillende meer radicale leden zetten toch door. De stoet droeg diverse borden mee met teksten als : 'Op naar het hospitaal Wij eischen Betere voeding Betere behandeling Wij protesteeren tegen wandluizen en vuil'. Verder was er een doek met daarop getekend enkele geldzakken met als onderschrift : 'Oorlogswinsten. Onderweg zongen de matrozen socialistische liederen, waaronder de Internationale.
Op hetzelfde moment protesteerden patiënten in het hospitaal tegen het slechte voedsel. De verpleegden gooiden hun borden stuk en weigerden te eten. De politie sommeerde de stoet uiteen te gaan. Volgens haar marcheerde deze echter gewoon door. De achterste groepen drongen de manschappen vooruit.
De waarnemend hoofdcommissaris M.F.F. Beltgens en een van zijn ondergeschikten losten een revolverschot in de lucht. Toen ook dat niet hielp, joeg zij de betoging uiteen met de klewang en gummistok. Een van de schepelingen, de vooraanstaande matroos derde klasse J.G. Jansen van de 'Regentes', probeerde de commissaris van politie zijn revolver te ontfutselen. Daarbij ging de naar beneden gerichte revolver af, waardoor Jansen in het achterdijbeen en de schepeling Eduard Sirach in de voet geraakt werd.
De matroos 2de klasse W.C. Wolvensperger, eveneens van de 'Regentes', werd door weer andere schoten in de arm geraakt. Stoker Pors en matroos Nieuwendorp raakten gewond door klewangslagen. Onmiddellijk hierna ging een groot deel van de demonstranten naar het bondsgebouw, waar een ledenvergadering plaats vond.
Sommige sprekers wilden wraak nemen voor de slachtoffers : 'Wraak ! Er moet bloed vloeien ! Terug naar het hospitaal !' klonk het in de zaal. Een volgens het Soerabajasch Nieuwsblad piepjonge matroos met blijkbaar anarchistische ideeën' ondernam nog een tevergeefse poging zijn kameraden aan te sporen zich 'niet de wet te laten voorschrijven'.
De socialistische onderwijzer L.DJ. Reeser, die de stoet toevallig was tegengekomen, probeerde de gemoederen te bedaren en Jacob Brandsteder, secretaris van de hoofdafdeling en beheerder van het tehuis van de B.V.M.M.P in Soerabaja, te steunen in zijn poging om de matrozen af te houden van een hernieuwde confrontatie met de politie en hun eigen maten van de inmiddels buiten opgestelde marinepatrouilles.
Sommige militairen riepen : 'de patrouilles schieten niet op ons, die staan aan onzen kant.' Brandsteder legde uit dat angst en verwarring de politie bij haar optreden leidden. Het protest had op deze manier juist aan kracht gewonnen. De administrateur riep op om de actie als geëindigd te beschouwen en kalm uiteen te gaan.

Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :