donderdag 31 mei 2012

Rode Matrozen 019

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
Verbeterde verhoudingen met marineleiding, verslechterde verhouding met SDAP
Later zou Troelstra een ontwerpmanifest schrijven bedoeld voor de gezamenlijke vergadering van de besturen van SDAP, NVV en van de Bond van Arbeiderscoöperaties te houden op zaterdag 2 november. In zijn archief bevinden zich verschillende versies van dit ontwerpmanifest.
In een handgeschreven versie spreekt hij over 'de slachtoffers van den oorlogstoestand' en wees hij op 'de soldaten van leger en vloot'. De zinsnede Van leger en vloot' is er later bij geschreven. Onduidelijk is of dit ook aan de orde is geweest op de desbetreffende vergadering.
Zeker is dat voor de vergadering van zondagavond 10 november wel de Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen was uitgenodigd, maar niet de matrozenbond en de (desintegrerende) miliciensbond. De volgende dag maakte de partij een 15 puntenprogram bekend. Eén van de verlangens was 'inwilliging van alle eischen van het program van den Bond van Dienstplichtigen'. Dit gebeurde weer zonder overleg met de B.V.M.M.P.
De oorzaak moet vrijwel zeker gezocht worden in het ontbreken van een organisatorisch verband, zoals de SDAP die met de Bond van Nederlandsche Dienstplichtigenn had : de partij was bij de oprichting van deze organisatie direct betrokken geweest.
Kennelijk zagen Troelstra en zijn medestanders de hechte band tussen het SDAP-bestuur en de verschillende marinebonden als een gegeven, op grond waarvan zij konden rekenen op een loyale houding ten opzichte van de SDAP bij een eventuele revolutiepoging. Bij een voorbereiding behoefden zij dan ook niet betrokken te worden.
De muiterij op de Duitse 'Hochseeflotte' en in de marineplaats Kiel, eind oktober/begin november 1918, bevestigen deze redenering. Hier bestond vanaf 1917 een aan radicale socialisten gelieerde illegale organisatie, die de vorming van raden nastreefde en in oktober 1918 de revolutie zonder een oproep van een politieke partij begon.
Maar daarbij ging de sociaal-democratische leiding in Nederland voorbij aan de grotere afstand die daar bestond tussen de manschappen en de officieren. De sfeer op de Duitse vloot was explosief. De eisen die de Nederlandse marinebonden door de jaren heen stelden, waren steeds gericht aan de marineleiding, i.e. de regering met wie zij een goede verhouding wensten. Verder hielden Troelstra en zijn medestanders, ook al omdat van enige voorbereiding nauwelijks sprake was, geen rekening met het grote verschil tussen het leger met een meerderheid van dienstplichtigen en de marine met een meerderheid van beroepspersoneel, dat veel meer te verliezen had.
De 'Roode Week'
Terwijl op de Duitse vloot revolutionaire ontwikkelingen gaande waren, was er in Nederland de situatie dat de vertegenwoordigers van het personeel een goede relatie met de marineleiding en de minister kenden, terwijl de verhouding met de partij niet best was. Toch bestond er bij de marineleiding vrees voor het personeel. Dat had zijn redenen.
Naarmate het jaar 1918 vorderde, nam de onvrede bij de zeemacht allengs toe. Het aantal deserties en gevallen van dienstweigering steeg aan het einde van de oorlog. Bovendien was het zeer onrustig in de vesting Hellevoetsluis. Een door de SDPP georganiseerde bijeenkomst op 26 september trok honderden soldaten van Land- en Zeemacht.
Daarnaast wisten de autoriteiten dat het niet het beste volk was dat op de schepen diende. Bijvoorbeeld had het nabij Den Helder gelegen wachtschip 'Willemsoord' binnen marinekringen al jaren een slechte naam. Luitenant-ter-zee 2e klasse J.L. Chaillet schreef in Het Vaderland van 29 november 1918 :
Het Wachtschip te Willemsoord herbergt dan ook het uitschot van de marine, waarvan betere afzondering van het overige niet-besmette personeel met de meeste kracht moet geschieden in het belang der gemeenschap.
Zeeofficierr S.P. 1'Honoré Naber hield er reeds in 1914 dezelfde mening op na. Schout-bij-nachtt J. Albarda, commandant der marine te Willemsoord en tevens commandant van de stelling van Den Helder, was degene die het meest van allen het personeel niet vertrouwde. Hij was het die de contacten onderhield met de hoofdbesturen van de bonden van onderofficieren, korporaals en van minder marinepersoneel.
In verband met het oplopen van de revolutionaire spanningen nodigde Albarda op 12 november de hoofdbesturen van de bonden uit. Hij deed dat op eigen initiatief en op eigen gezag, dus zonder overleg met zijn superieuren. Op grond van enkele krantenartikelen en afgaande op de beantwoording van schriftelijke kamervragen kan de inhoud van het gesprek min of meer gereconstrueerd worden. Het Anker van 15 november zei slechts op de laatste pagina heel kort iets over de gesprekken met de vlootvoogd.
Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :