donderdag 24 mei 2012

De rode garde in Nederlands-Indië 04

De rode garde in Nederlands-Indië
De extreme levensomstandigheden van soldaat en matroos in Nederlands-Indië vervolg
Werkelijk verlof hadden de militairen in Indië niet. Er was immers geen mogelijkheid om de familie thuis te bezoeken. Vrije tijd bestond daarom uit vrije uren. De soldaat had een aantal mogelijkheden om zich te verpozen. Zo kon hij de verschillende militaire tehuizen (bijvoorbeeld te Magelang) bezoeken, sporten beoefenen, (inheemse) dans- en toneeluitvoeringen bekijken en jagen. Aan het eind van de oorlog kwam op last van het Departementt van Oorlog het Kantoor voor lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en ontspanning en kort daarna in Tjimahi de Gymnastiek- en Sportschool van de grond.
Er waren natuurlijk militairen, die deze mogelijkheden benutten. Maar veel militairen ontvluchtten de dagelijkse sleur door het nuttigen van alcoholische dranken. De minderen verpoosden zich meestal in de kantine, die altijd een veelbesproken instelling was in de tijd dat het drankprobleem onoplosbaar scheen. Natuurlijk hoopten, zoals in Nederland, sommigen op verbetering. Een publicatie van de sergeant J.G. Wanrooy had in 1897 geleid tot kamervragen en tot gecoördineerde acties van geheelonthoudersverenigingen. De SDAP-er Willem Meijer richtte in 1922 de Anti-Alcoholvereeniging der Zeemacht te Soerabaja op.
De actieswaren niet erg succesvol. Een idee was het droogleggen van de kantines, maar dit zou niets uithalen want in de kampong woonden gepensioneerde Europesee militairen, de zogenaamde blijvers, die clandestien jenever schonken tegen bodemprijzen. In het jargon heetten ze 'slokjesboeren.
Overmatig drankgebruik was mede een gevolg van de sociale positie van matrozen en soldaten. Minderen werden eigenlijk nooit opgenomen in de Europese milieus. Binnen de koloniale verhoudingen van Nederlands- Indië stonden de standsverschillen en politieke opvattingen tussen officieren en minderen lijnrecht tegenover elkaar. Het was het mindere marinepersoneel niet toegestaan om zich in de 'betere' cafés op te houden.
De historica Annie Romein-Verschoor was dochter van een marineofficier en bracht enkele jaren door in Soerabaja. In haar autobiografie Omzien in verwondering vertelt zij dat hoe dicht de matrozen ook bij de werf aan de Oedjoeng woonden, iedere gezellige omgang tussen de twee groepen marinepersoneel ondenkbaar was. De marineofficieren kenden geen koloniaal probleem, omdat zij er volstrekt geen oog voor hadden : 'De koloniale verhouding was een natuurlijke en blijvende situatie van onderschikking en min of meer grof geüsurpeerd [overweldigend] meerderwaardigheidsgevoel.' Dat laatste bemoeilijkte het verbeteren van de situatie, die zich voor dee militairen nog het best laat omschrijven als uitzichtloos.
Inheemse militairen
Met alleen Nederlandse militairen redde de leger- en marineleiding het niet. Weinigen voelden zich vanwege de hiervoor geschetste omstandigheden geroepen om naar de Oost te gaan. De wervingsresultaten in Nederlandd vielen dan ook tegen. Dit had, naast hiervoor geschetste omstandigheden die niet bepaald een goede reclame waren, verschillende oorzaken. De belangrijkste was wel dat de invoering van de persoonlijke dienstplicht in Nederland rond de eeuwwisseling beslag legde op het potentieel van vrijwilligers voor Indië. Daarnaast was er sprake van een snelle economische groei die halverwege de jaren negentig van de negentiende eeuww had ingezet, en die ook in het eerste decennium van de twintigste eeuww onverminderd aanhield.
Door de welvaartsstijging nam de vraag naar arbeidskrachten toe. Daar konden de extra wervingsinspanningen niet tegen op. Verder was er sprake van een groeiende maatschappelijke oppositie tegen het kolonialisme. Bovendien was het instituut leger niet geliefd. Dat had naast de legerreorganisaties ook te maken met de inzet van dienstplichtigen bij het beteugelen van de spoorwegstakingen van 1903. Een gevolg hiervan was dat de autoriteiten militairen moest rekruteren uit andere naties en met name onder de onderworpen volkeren, die sedert het begin van de twintigste eeuw onder rechtstreeks Nederlands gezag waren komen te staan. De mate van loyaliteit was hierbij een belangrijke kwestie.
Konden de autoriteiten een inheemse militair vertrouwen ? Zij hadden daarbij een aantal opties. Een grote belangrijke groep vormde de Javanen, die weliswaar bereid waren te dienen, maar hun militaire vaardigheden en betrouwbaarheid sloegen zij niet hoog aan. Molukkers en Menadonezen waren meer geschikt, vanwege hun loyaliteit, opofferingsgezindheid en het met de koloniale heersers gedeelde christelijke geloof. Bovendien bleek dat de toegepaste gevechtstactiek van de guerrilla hun beter afging dan de Europeanen.
Vooral nadat de teelt van kruidnagel in elkaar gestort was, bleek het militaire vak voor de Molukkers een belangrijke manier geworden om in het levensonderhoud te voorzien. De overwegend protestantse en dus niet-islamitische Molukkers ('Ambonnezen) en Menadonezen hadden tot kort na de Eerste Wereldoorlog een bevoorrechte positie in het KNIL.
Om aan de armoede te ontsnappen traden zij toe tot het leger. Zij kregen beter betaald dan de overige inheemsen. Het leger behandelde hen bijna gelijk met de Europeanen. Het systeem van privileges, bestaande uit een betere betaling, kleding en huisvesting, meer rantsoen en ook beter onderwijs voor de kinderen, plaatste de Molukkers boven de andere inheemsen, maar onder de Nederlanders.
De Molukkers hadden een belangrijke rol gespeeld in de Atjeh-oorlog en andere militaire campagnes. Ze zagen zichzelf als de representanten van 'rust en orde. Toch zou tijdens de Eerste Wereldoorlog de waardering afnemen. De autoriteiten maakten daarom een begin met het terugdringen van de geprivilegieerde positie van de Molukse militairen :
For all the protest and unrest, theAmbonese had little bargaining power. They could no longer afford to withhold their labour. The Ambonese military identity dressed up in the best possible light the circumstances of an economically weak and peripheral minority Loyalty was a polite and positive way of expressing a relationship more pragmatically described
Ondanks dit laatste ontwikkelde zich een militaire subcultuur in de Molukse maatschappij, namelijk die van het militaire kampement, de 'tangsi'. Terwijl er in de traditionele Molukse maatschappij, 'negeri', vaak een gebrek was aan voedsel en de mensen hun eigen ritme van eten, slapen en werken kenden, heerste in de tangsi een militaire hiërarchie. In plaats van de traditionele raja waren het de sergeant-majoors die de scepter zwaaiden.
De legerleiding streefde naar een getalsmatige verhouding tussen Europese en inheemse soldaten van 1:3. Bij een tekort aan Europese soldaten werden zij aangevuld met de loyaal geachte Menadonesen en Molukkers. Daarnaast kon het leger terugvallen op de steun van hulptroepen van inheemse vorsten. Het KNIL telde in 1918 ongeveer 7.000 soldaten van Europesee afkomst (naast Nederlanders waren dat Belgen, Duitsers, Zwitsers en Fransen)) en ongeveer 30.000 inheemse soldaten.

Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :