dinsdag 22 mei 2012

De rode garde in Nederlands-Indië 03

De rode garde in Nederlands-Indië
De extreme levensomstandigheden van soldaat en matroos in Nederlands-Indië vervolg
Twee jaar later verdiende een soldaat 39 cent per dag met aftrek van 17 cent menagegeld. Daarvan moest hij dan nog tabak, lucifers, zeep, naaigerei, schoensmeer, enzovoort kopen. De salarissen bij de marine lagen hoger. Hier was het aanvangssalaris ƒ 1,88 per dag. Het daggeld van een volwassen matroos was voor de derde klasse matroos 63 cent, tweede klasse 85 cent en eerste klasse ƒ 1,10. Hiervan diende hij de aanschaf en onderhoud van de uitrusting te bekostigen. In beginsel waren alle mindere militairen 'in de menage'. Het leger droeg als werkgever zorg voor huisvesting en voeding.
In de praktijk bleek deze onvoldoende. Het kwam regelmatig voor dat een militair zijn kledingstukken of zelfs zijn wapen wederrechterlijk verkocht om aan geld te komen (een 'goedverkoper'). Bij een inspectie liep hij natuurlijk tegen de lamp en moest hij de ontbrekende spullen opnieuw kopen.
De soldaten ontvingen een extra toelage voor het patrouillelopen, het zoo genoemde 'oeang njamoek' (vrij vertaald : geld dat je kreeg vanwege muskietensteken). Dat was een soort gevaren toeslag, want dit werk was niet bepaald gezond te noemen. Soldaten hadden veel last van bloedzuigers (patjets, lintahs) die zich door alles heen op de huid vastzetten, het liefst in de schaamstreek. De volgezogen bloedzuigers werden nooit losgetrokken maar met een brandende sigaret verwijderd.
Dat de financiële situatie van de militairen niet best was, onderkenden ook de autoriteiten. De commissie Idenburg werkte op het gebied van salarissen voor de marine aan verbeteringen, die in 1918 werden doorgevoerd. De marinebegroting werd met dit doel bij wet van 17 juni van dat jaar (Staatsblad no. 402) verhoogd met ƒ164.000. Een maand later was de nieuwe regeling van de traktementenn rond en bij Koninklijk Besluit vastgesteld."
In 1917 en 1918 ging ook de soldij van de dienstplichtigen bij de zeemacht omhoog en was het vanaf nu tevens mogelijk een hogere rang te bereiken." De lonen van de arbeiders op de Rijkswerven gingen omhoog, namelijk met twee cent per uur ! Hiervoor hadden Hugenholtz en W.P.G. Helsdingen (beide SDAPKamerlid)) steeds gepleit. De vergoeding voor het verblijf binnen de keerkringen werd met 15% vermeerderd. Matrozen kregen een duurtetoeslag enn hogere pensioenen. Alles bij elkaar stegen de salarissen bij de marine in de loop van de oorlog met 25 procent. De kosten van levensonderhoud in die periode namen echter toe met 80 procent, zodat er weinig reden was tot grote tevredenheid. De maatregelen konden daarom de onvrede onder het personeel in Indië niet wegnemen.
Zoals we al zagen, was de dienst in de tropen een aanslag op het menselijk lichaam dat niet gewend was onder dergelijke omstandigheden te functioneren. De Militair Geneeskundige Dienst (MGD) van het KNIL had het niet altijd even gemakkelijk om de soldaat in goede gezondheid te houden. Allereerst was daar het tropische klimaat debet aan: een combinatie vann hitte en vocht vormde een ideaal milieu voor velerlei ziekten en aandoeningen als beri-beri en cholera, die zonder medisch ingrijpen gemakkelijk de dood van de patiënt konden veroorzaken.
Matrozen kenden meer problemen. Zij waren gescheiden van hun gezinnen; voeding en verpleging waren vaak slechter dan in Nederland en de dienst was over het algemeen zwaarder. De loodsen aan de Oedjoeng in Soerabaja die het marinepersoneel van in onderhoud liggende schepen op het Marine-Etablissement huisvesten, hadden niet voor niets de bijnaam 'Het Graf'.Bovendien was zoals marinehistoricus Ph.M. Bosscher aangeeft in De koninklijke marinemarine in de tweede wereldoorlog, de kans op sneuvelen reëel. Vergeleken met matrozen van andere koloniale mogendheden diende het Nederlandse marinepersoneel gedurende langere periodes in de tropische wateren.
Daarnaast had de MGD te maken met geweldige afstanden en de verspreide ligging van moeilijk bereikbare buitenposten. De adequate verzorging van de gewonden stelde deze dienst voor veel problemen. Ziekten en epidemieën eisten verhoudingsgewijs de zwaarste tol. De MGD kreeg te maken met zo'n 170 overleden militairen per jaar. Bij de marine was het niet veel anders. Zo vertelt marineman Willem Meijer in zijn memoires over een hevige cholera-epidemie aan boord van het pantserschip Noord Brabant :
Van 2 maart tot} juni 1002 stierven, op een bemanning van nog geen 500 man, niet minder dan 22 aan de cholera en moesten niet minder dan 166 man, meer dan de helfthelft der bemanning, met cholera, buikloop en malaria naar het hospitaal worden gebracht. Onder de doden waren geen officieren, twee onderofficieren en de rest minderen. deren. Alle verkeer met de buitenwereld werd afgesloten
Geslachtsziekten kwamen in die tijd veel voor. Al sinds enkele decennia voor de Eerste Wereldoorlog was er jaarlijks sprake van ruim driehonderd nieuwe besmettingen per 1.000 schepelingen." Er zijn schattingen dat van alle militairen twintig procent besmet was. In 1917 trachtten katholieken tevergeefs middels het verspreiden van een boekje geheten Ankergrond, een woordwoord aan den Nederlandschen zeeman dit een halt toe te roepen. Ook de marineleiding, soms ondersteund door militaire bonden, maakten beleid ten aanzien van dit vraagstuk.
Vanaf eind 1908 trachtte de marine door verschillende maatregelen 'de moraliteit' te verbeteren. Er kwamen nieuwe bepalingen voor het passagieren, zoals beperkingen op het verkrijgen van nachtpermissie. Dit was in eerste instantie succesvol, in 1916 verslechterde de situatie echter weer. Het ondergaan van een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke vrijheidsstraf kwam evenzeer de gezondheid van de militair niet ten goede. De manier waarop zij zo'n vrijheidsstraf uitzaten, was vaak mensonterend.
De provooststraf was onder de heersende klimaatomstandigheden een ware marteling.. De meest normale soldaat die deze straf onderging, verviel al spoedig in een toestand van razernij, waarbij hij alles kort en klein sloeg. Was zo'n bui over, dan begon de soldaat te huilen om zijn machteloosheid, omdat hij zich diep beledigd voelde. Herhaling van zo'n straf leidde tot geestelijke ongevoeligheid. Slechts enkelen slaagden er ondanks alles in om hier ongebroken uit te komen. In het blad van de Indische Sociaal-Democratische Vereniging Het Vrije Woord vinden we de volgende beschrijving van de omstandigheden waaronder enkele militairen gevangen zaten :
Zoo zijn 7 personen van 3 tot 20 dagen opgesloten geweest in een cel zonder licht met zwarte muren, vochtig met een open privaat. De cel was van geringe afmetingen en men werd ongeveer een halfuur daags, zegge dertig minuten, gelucht. Deze personen mochten lezen maar hadden geen licht. Het eten werd door een luikje van 2,5 bij 2,5 dm binnengeschoven, zoodat men geen mensch te zien kreeg. Boven dit luikje zit een gaatje met een ijzeren klepje, waardoor de commandant de kooi van binnen inspecteert ook zonder te worden gezien. Diepe stilte heerscht in dit paradijs, nog verhoogd door 't feit dat de gangen van cocosmatten voorzien zijn, terwijl commandant en manschappen vilten zolen dragen. gen. Is er geraffineerder opsluiting denkbaar ?

Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :