zaterdag 14 april 2012

Rode Matrozen 018

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
Verbeterde verhoudingen met marineleiding, verslechterde verhouding met SDAP
Eén van de initiatieven van Rambonnet die de nieuwe minister overnam, was het overleg over de salarissen. Daartoe hadden de bonden inmiddels het al eerder genoemde Salariscomité opgericht. Binnen deze organisatie wilden de bonden ondanks hun onderlinge meningsverschillen nauwer samenwerken. Om in de toekomst effectief te kunnen overleggen met de minister vond op initiatief van het Salariscomité op 29 juni 1918 een fusiecongres plaats.
Het comité stelde voor dat er één bond moest komen voor manschappen, één voor korporaals en één voor onderofficieren. Afwezig waren de officieren van de Algemene Vereniging van Marine-officieren (waarvan Naudin ten Cate zelf ook lid was), de Bond van Zeemiliciens en de Torpedomakersvereniging.
Het Salariscomité wilde gezamenlijk een vuist kunnen maken. Tenslotte was in 1918 85% van de korporaals en de onderofficieren lid van een bond. Van de manschappen was 62% georganiseerd. Van de ongeveer vijfduizend georganiseerden behoorde 60% tot de B.V.M.M.P.
Concreet betekenden de fusieplannen echter dat 'Voorwaarts' en de bonden van torpedomakers, van monteurs en van miliciens dienden te verdwijnen. Hun leden zouden moeten overstappen naar de B.V.M.M.P, de B.V.K.K en de Algemeene Bond.
De drie bonden zouden in federatief verband moeten samenwerken. Het voorstel kon op instemming rekenen en de Bond van Korporaals zou de voorzitter leveren van de fusiecommissie, waaraan elke bond drie leden zou afvaardigen. Heikel punt vormde de positie van de machtige administrateur Michels. Hij was tenslotte de man achter de, volgens de Algemeene Bond van Onderofficieren, 'schunnige zet' tegen het Salariscomité in december 1917.
In oktober 1918 ging de commissie aan het werk. In het voorjaar van 1919 zou deze met voorstellen komen. Het congres in juni vond plaats zonder de Bond van Zeemiliciens/Bond voor Militie- en Landstormplichtigen bij de Zeemacht. De bond had zich afgemeld, vanwege interne problemen. Al eerder poogde de organisatie tevergeefs om aansluiting te zoeken bij de Bond van Landstormplichtigen en dee sociaal-democratische mobilisatieclubs, die actief waren bij de landstrijdkrachten." Dat ging zoals we eerder zagen niet door. Liever wilde het bestuur van de landstormplichtigen aansluiting bij een organisatie bij de zeemacht.
Naast de fusieproblemen speelde dat veel afdelingen geen vertrouwen hadden in het bestuur. Op een gegeven moment waren alleen de afdelingen Den Helder en IJmuiden nog loyaal. In de afgelopenn tijd had de Bond van Zeemiliciens al te kampen gehad met een afnemend ledental vanwege het afzwaaien van vooral oude lichtingen. Nieuwe jonge rekruten toonden minder interesse zoals bij de landmacht.
Een gevolg was een afname van activiteiten. Bijvoorbeeld pleitte de bond samen met de B.V.M.M.P bij de Tweedee Kamer voor een salarisverbetering en duurtetoeslag. Eerder in 1918 ondersteunde de dienstplichtigenbond samen met de sociaal-democratischee mobilisatieclubs, het 'Verbond tot Democratiseering der Weermacht', 'Ons Belang' (onderofficieren bij de landmacht) en de stokersbond van onderofficieren,, een verzoekschrift van de BVMMP met betrekking tot een verbeteringg van het militair straf- en tuchtrecht. Op lange termijn bleek de organisatie niet levensvatbaar.
Michels wilde ontevreden leden van de B.V.Z.M voor de B.V.M.M.P winnen. Hij wenste de nieuwe miliciensleden om te vormen tot een aparte vakgroep van zijn bond. In oktober begon de B.V.M.M.P met het opnemen van miliciens als lid, bovendien hadden zij nu ook een eigen rubriek in Het Anker.
Zo'n 2000 leden maakten de overstap. Michels riep de dissidente afdelingen op om geen geld meer aan de Bond voor Zeemiliciens/Bond voor Militie- en Landstormplichtigenn bij de Zeemacht af te dragen. Bovendien zorgde deze machtige administrateur ervoor dat de zeemiliciensbond niet aan zijn geld op de Helderse bank kon komen.
Het hoofdbestuur van de Bond voor Zeemiliciens was niet persé tegen aansluiting bij de B.V.M.M.P, maar het wilde een langere voorbereidingstijd en na de fusie het liefst een federatief verband. Nog liever wilde het, nu de fusieproblemen bij de landmachtorganisaties voorbij waren, zich met zijn ongeveerr 700 leden aansluiten bij de 'Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen', omdat die opkwam voor de belangen van zowel miliciens als landstormplichtigen.
Bovendien vreesde de bond dat de B.V.M.M.P misschien wel eens zou kunnen instemmen met een driejarige dienstplicht, al was het maar om zijn ledental op peil te houden na de mobilisatie. De discussie eindigde abrupt. Met de demobilisatie aan het einde van de oorlog verdween de Bond van Zeemiliciens.
De dienstplichtigen die overbleven zochten grotendeels onderdak bij de bond van Michels. De SDAP bemoeide zich nadrukkelijk met fusiepogingen van organisaties van dienstplichtigen bij de landmacht. Bij de marine hielden de sociaal- democraten zich afzijdig.
Hiervoor is een aantal verklaringen te geven. Mogelijk vond de partij dat er bij de grotere landmacht meer stemmen te winnen waren dan bij de kleinere zeemacht, waar de matrozen traditioneel toch al rood waren. Het zou ook zo kunnen zijn dat de partij de toenaderingg tussen bond en marineleiding niet wilde belasten met politieke betrokkenheid.
Het meest waarschijnlijk is nog dat de partij de opvatting had dat een bond van dienstplichtigen na een komende demobilisatie weer zou verdwijnen, terwijl een beroepsbond bleef bestaan. Door zich niet te bemoeien met de fusiepogingen voorkwam de SDAP dat een ongewenste permanente en formele band tussen partij en marinebonden ontstond. Dat is wellicht ook de verklaring voor de verslechterde verhouding in de maanden voorafgaand aan de 'roode week' in november 1918 tussentijds de miliciensbond en de B.V.M.M.P en anderzijds de SDAP.
Tekenend mag genoemd worden dat het socialistische program van eisen van de SDAP in juli 1918 wel sprak over het inwilligen van alle eisen van de Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen, maar niet over die van de beide marinebonden.
De B.V.M.M.P protesteerde dan ook tegen het niet betrekken van de matrozenbond bij het overleg van de partij over de tien punten van de BVND. Zo stelde Het Anker. 'Indien overleg met de organisaties bij de Zeemacht ware gepleegd, was de malle eisch van minderen in de krijgsraden er wellicht uitgebleven.
Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :