maandag 9 april 2012

Rode Matrozen 017

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
Verbeterde verhoudingen met marineleiding, verslechterde verhouding met SDAP
De opstelling van de Bond van Minder Marinepersoneel was de belangrijkste reden voor toenadering tot de minister van Marine J.J. Rambonnet. Michels verklaarde in een rede op de algemene ledenvergadering van 9 december 1917 :
De strijd voor lotsverbetering eist, dat wij iets anders, iets beters geven dan uitsluitend het afgeven op dingen die verkeerd zijn. We moeten aangeven hoe het wel moet zijn. We moeten ons plaatsen op het standpunt dat het niet gaat tegen de dienst en het er niet om te doen is de krijgstucht te ondermijnen.
Harde acties bleef de bond daarom veroordelen. Dat was bijvoorbeeld in april 1918 het geval. De matrozen van de in IJmuiden gestationeerde torpedoboot Hr.Ms. Z8 organiseerden op 29 april hun eigen voedselactie. Het brood was zuur en beschimmeld. Hun commandant vond dat er niets aan mankeerde. Vervolgens vroegen de matrozen toestemming om aan wal vers brood te kopen. Die kregen zij van de commandant, die al bedacht had dat ze zonder voedselbonnen niet ver zouden komen.
De matrozen trokken vervolgens met de bedorven broodjes in hun zak naar de bakker die het spul geleverd had. Die kon nadat hij de overmacht aanschouwde niet anders dan verse exemplaren overhandigen.
Een 'getuige' van dit gebeuren schreef er een stukje over voor De Vrije Socialist Kennelijk zeer enthousiast geworden door dit optreden eindigde hij zijn ingezonden brief met 'Organiseert u in Arbeiders en Soldatenraden !'
Naar aanleiding van de onrust onder het marinepersoneel betreffende onder andere de voedselsituatie schreef het hoofdbestuur van de B.V.M.M.P een brief aan de afdelingsbesturen en correspondenten waarin het uitlegde dat waar de burger recht had op 2 ons brood per dag, de militair de beschikking had over 4 ons. Bovendien kregen de militairen een dubbele portie vlees. De bond stelde dan ook dat de zeelieden al met al weinig reden tot klagen hadden : 'Toch vrienden is er tot nu toe geen artikel verminderd, waarvan met klem van redenen beweerd kan worden, dat het niet noodig was.
De minister moet dat als muziek in de oren geklonken hebben. Voor de bewindsman was deze ontwikkeling echter nog niet voldoende. Er was nog het probleem van de radicale Indische hoofdafdeling die in zekere zin betrokken was geweest bij acties zoals de hospitaaldemonstratie inn Soerabaja van 7 mei 1916. De Indische B.V.M.M.P stond merkbaar onder revolutionair-socialistischee invloed :
Heeft de bond getoond, dat het hem ernst is met het streven om het bondsleven te leiden in een door het marinebestuur te aanvaarden richting, dat zal ik mijne beschikking intrekken en op loyale wijze contact zoeken met het hoofdbestuur van den bond Is een andere indruk verkregen, dan zal ik aan de Staten-Generaal omstandig mededeeling doen van de feiten, die tot het vormen van dien indruk hebben bijgedragen. Mijne evengenoemde beschikking blijft dan van kracht.
Hett hoofdbestuur van de B.V.M.M.P bond de strijd met de militante Indische hoofdafdeling en liet duidelijk zien dat ze al te radicale acties niet zou tolereren. Zijn informele verbondenheid met de SDAP en dus ook zijn bereidheid om leger en marine paraat te houden om de neutraliteit te handhaven was in tegenspraakk met de politieke opvattingen en vormen van actievoeren in Indië.. Rambonnet betuigde in de eerdergenoemde brief zijn instemming :
- met hetgeen door den leider der sociaal-democratische fractie in de Tweede Kamer is verklaarden waarmede ik mij geheel vereenig, nl : Wanneer de Minister wil zeggen, dat het optreden van organisaties aan boord niet mag zijn gericht op een verspreiding van anti militaristische begrippen, dat organisaties van militairen nu juist niet de aangewezen lichamen zijn om als predikers van het anti-militarisme op te treden, dan is dat een waarheid, waartegen niemand zich zal kunnen verzetten. Prediking van anti-militarististische begrippen zal in ons volk, in de maatschappij, zeker ook onder den indruk van den oorlog, meer en meer voorkomen, maar organisaties van militairen, die ten doel hebben hun positie te verbeteren en de grieven en de behoeften van de militairen in dienst van het land aan de autoriteiten te doen kennen en te klagen over een niet voldoende voorziening behoeften enz., kunnen niet zijn de dragers van de anti-militaristische ideeën.
De marineleiding schoof nu toch op. Vanaf 17 juni mocht Het Anker weer verschijnen aan boord van de schepen en op de inrichtingen, ondanks bezwaren van de opperbevelhebber van Land- en Zeemacht, generaal C.J. Snijders. Hij had Het Anker aangemerkt als een antimilitaristisch geschrift en verboden het aan de militairen voor te leggen.
Toch zou op 21 juni 1918 officieel het verbod op de organisatie opgeheven worden, hetgeen zij met een feestelijke vergadering vierde. Ook Het Anker mocht weer aan boord gelezen worden. Een uitzondering maakte de minister natuurlijk voor Indië.
In juni 1918 trad Rambonnet na een conflict met de ministerraad over het niet laten uitvaren van het konvooi naar Nederlands-Indië af. Vice-admiraal W. Naudin ten Cate volgde hem op. Hij kon onder nieuwe omstandigheden met een schone lei aan het overleg met de marinebonden beginnen.

Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :