dinsdag 24 april 2012

De rode garde in Nederlands-Indië 02

De rode garde in Nederlands-Indië
De extreme levensomstandigheden van soldaat en matroos in Nederlands-Indië
Nog voor het schip uit Rotterdam vertrokken was, waren de eerste gelukzoekers al gedeserteerd. Eenmaal aangekomen ontdekten de militairen dat er in het weinig opwekkende soldatenbestaan twee verzetjes' bestonden : militairen kregen veel jenever verstrekt en zij konden er op de kazerne een inheemse vrouw op nahouden. In de Europese samenleving in de archipel, genoten de militairen geen aanzien bij de 'kolonialen. Meestal schuwden zij de omgang met militairen, behalve dan met de officieren, die een 'goede partij' vormden voor een huwbare dochter.
De omstandigheden waaronder de soldaten dienden waren niet bijster gunstig. De overgang voor een Europeaan die in Indiè' aankwam, was groot. De hitte was drukkend, de slagregens waren zwaar en het voedsel was anders. Dit gold overigens evenzeer voor bijvoorbeeld een Molukker die 2.100 kilometer verwijderd van zijn geboortegrond, op Java moest zien te aarden.
De soldaat zorgde zelf voor het wassen en strijken van zijn kleding. Bij de gehuwden deed de echtgenote of een bediende dit thuis of in de vrouwenloods; vrijgezellen namen collectief in het kampement een waskoelie in dienst. Op Java waren de meeste grote kampementen, de 'tangsi', die ook de vrouwen en de kinderen van de militairen huisvesten. De verblijven van de gezinnen stonden zo dicht op elkaar, dat zij behalve de gesprekken nog veel meer konden horen bij de buren. Kortom, er bestond totaal geen privacy.
In streken waar het veilig was, woonden de Europese officieren met hun gezinnen buiten de kampementen, later mochten ook onderofficieren buiten wonen in de 'kampong' (dorp). Gezinnen van Europese soldaten en matrozen waren toen eveneens vrij om elders te wonen. Inheemse onderofficieren waren met hun gezin gehuisvest in woningen die binnen de afrastering van het kampement waren gebouwd of vlak daarbuiten.
Alle overige inheemse militairen, soldaten en korporaals, vonden tezamen met hun vrouwen en kinderen onderdak in de compagniesgebouwen, de chambrees. De Europese militair kreeg een dienstwoning aangewezen mits hij kon aantonen dat hij wettig getrouwd was met zijn levensgezellin. Later gold deze regeling ook voor de wettig gehuwde christelijke inheemse militair. In het centrum van het kampement bevond zich het dagverblijf, een uiterst eenvoudige, kleine 'kantin waarover een wat oudere soldaat met zijn vrouw de scepter zwaaide. Hier konden de inheemsen voor weinig geld thee, limonade, zoete koekjes of wat pittiger hapjes krijgen. De Europese militairen gaven de voorkeur aan de garnizoenskantine buiten de poort. Zij moestenn dan wel in tenue gekleed gaan. De diensten die de militairen verrichten, waren zwaar en lang. De beloning voor vooral de minderen was gering.
Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :