maandag 26 maart 2012

Rode Matrozen 011

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
Medische zorg en hygiëne.
De bond publiceerde de klachten omdat deze niet wilde blijven toekijken als zich wantoestanden voordeden. Waarschijnlijk hoopte de organisatie dat de in 1916 ingestelde commissie voor aanbevelingen zou zorgen.
Zelf was de B.V.M.M.P niet altijd een tegenstander van de dienst. Er was ook reden voor een zekere samenwerking. Dienst en bond stonden zij aan zij in de strijd tegen de venerische ziekten.
Geslachtsziekten vormden een belangrijk probleem onder het marinepersoneel. Bij de marine was het aantal nieuwe venerische besmettingen per 1.000 man traditioneel hoger dan in het leger. Het lag in Nederland tussen 1914 en 1918 gemiddeld op ruim 40 per 1.000 per jaar. Een toename zoals bij de landmacht viel echter niet te constateren. Sterker nog er trad verbetering in.
De marineleiding voelde de noodzaak van gezonde en krachtige manschappen en probeerde hier dan ook aan het begin van de twintigste eeuw iets aan te doen door het invoeren van waslokaaltjes op de schepen. De B.V.M.M.P stelde met hetzelfde doel tegen geringe betaling 'phallokosbuisjes' (reinigingsmiddelen voor het mannelijke geslachtsdeel) beschikbaar. Tot halverwegee 1917 was de profylaxis vrijwillig. Matrozen werden later verplicht op straffe van een overtreding van de krijgstucht om zich te laten behandelen bij een infectie.
Hierbij was ook een actievere rol weggelegd voor de officier van gezondheid. De matrozenbond besteedde in Het Anker regelmatig aandacht aan het probleem. Voor sommigen was dit teveel van het goede. Zij waren bevreesd dat door het blad een 'bepaalde indruk gegeven werd van het leven der schepelingen. Toch zou het bondsblad op aandringen van het hoofdbestuur doorgaan met het geven van informatie over geslachtsziekten.
De bond bleef ook actief in de 'Vereeniging tot bestrijding der Geslachtsziekten'. Bestrijding van de ziektes was een probleem vooral vanwege het taboe rond het onderwerp. Het condoom bestond al wel, maar openlijke aanprijzing daarvan was na de inwerkingtreding van de zedelijkheidswetten van 1911 niet langer mogelijk. Het zou losbandigheid aanmoedigen. Daarnaast was het condoom ook om andere redenen weinig populair, zo bleek uit de woorden van marinearts Van Deinse :
Tegen het gebruik van het condoom bestaan echter bij velen bezwaren, deels berustend op hunne de libido belemmerende werking, deels op de vrij hooge onkosten, aan een geregeld gebruik van condomen verbonden. Vandaar dat men de behoefte gevoeld heeft aan middelen, die in staat zouden zijn, de gevolgen van een zonder condoom uitgevoerden coitus impurus te neutraliseeren.
De middelen waar Van Deinse op doelde, waren de zogenaamde chemische profylactica. In de waslokaaltjes bevond zich een sublimaatoplossing (verbinding van kwik met chloor met een sterke antiseptische werking), in een fles die voorzien was van een leiding met een kraantje, uitkomend boven een bak met afvoerbuis, en een bakje met sublimaatoplossing waarin de nodige wattenproppen gedrenkt waren.
Zeep werd niet verschaft, omdat dit een schaars artikel was en daarom nogal eens werd ontvreemd. In plaats daarvan hing er een tweede fles met zeepspiritus. Verder was er aanwezig een leiding voor zoet water en tenslotte een emmer om gebruikte wattenproppen in weg te werpen. Een korte gebruiksaanwijzing completeerde de inventaris van het waslokaaltje. Gezien de daling van de cijfers vooral na 1913 was het beleid van de marine en de matrozenbond redelijk succesvol.
bijlage 2
Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :