donderdag 22 maart 2012

Rode Matrozen 009

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
De voorzitter van de B.V.M.M.P Johannes Hermanus Smith poogde via het Correspondentieblad van de bond zijn leden uit te leggen dat de voedselvoorziening van de militairen beter was dan die van de burgers :
Allen, die bewust zijn van den ernst dezer tijden, zij dienen toe te zien, dat alles geregeld geschiedt. Werkt mede, om de fictie te bestrijden, als zouden wij verhongeren en aanvaardt dezen toestand als een noodzakelijk kwaad, geboren uit dezen oorlog, waaraan ook voor ons niet te ontkomen is.
Om niet de steun van de bevolking te verliezen, riep de bond zijn leden op geen actie meer te voeren voor vermeerdering van de rantsoenen. Een voorwaarde was wel een strenger toezicht op de bereiding en uitgifte van hett voedsel. De bond volgde hierin de SDAP en bovendien kon hiermee de onderhandelingspositie met de marineleiding versterkt worden. De B.V.M.M.P gaf aan zijn verantwoordelijkheid te kennen.
Straf- en tuchtrecht
Zoals bij de landmacht was het systeem van straffen ook bij de marine een probleem. Het matrozenblad schreef regelmatig over incidenten. Een patiënt in het hospitaal in Hellevoetsluis liet een mok water vallen. Op de vraag van de wachtdoende majoor wie er met water gegooid had, verklaarde een andere patiënt dat hij het water had laten vallen. Resultaat : beiden kregen twee dagen zaalarrest.
Tien minuten te laat van passagieren terug leverde acht dagen provoost op. Ontbreken op appèl voor de wacht was voldoende voor 14 dagen strafdienst met inhouding. Roken en praten en te laat uit de kooi werd bestraft met 1 dag provoost en 4 dagen strafdienst met inhouding van soldij.
De B.V.M.M.P, geen voorstander van het bestaande straf en tuchtrecht, praatte het gedrag van de militairen niet goed en poogde met het voorbeeld van de nauwelijks georganiseerde Vlielandse matrozen aan te tonen, dat juist de bond door zijn invloed op vooral de jongeren de volgende toestand kon voorkomen :
Een bende, den een den ander aanstekende kwajongens, die vechten en zuipen aan wal, van hun post afloopen, om in een café te gaan zitten, die aan boord brutaal zijn en lui, zich onttrekken aan de werkzaamheden, onbeschoftheden debiteeren, bij voortduring te laat aan boord komen, niet op tijd uit hun kooi komen.
De B.V.M.M.P wilde zich ook op dit punt verantwoordelijk opstellen. Ongetwijfeld hoopte de organisatie hiermee de marineleiding te overtuigen, dat van haar optreden geen gevaar te duchten viel. Sterker nog, de bond kon een stimulerende rol spelen ten aanzien van het moreel van de troepen. Vooral in het begin van de oorlog wees de B.V.M.M.P erop dat niet alle klachten gerechtvaardigd waren : 'We leven in een tijd, dat van tucht en discipline veel gevorderd wordt en wij kunnen aanmanen om vooral aan de eischen van tucht en discipline, welke in deze tijden gesteld moeten worden, getrouw te voldoen.' Dat was niet altijd even gemakkelijk. Zo maakte Het Anker op 12 december 1914 melding van een zeer gespannen situatie tussen minderen en korporaals op de 'Gelderland'. Veel matrozen moesten gedwongen nadienen, waarbij de motivatie sterk afgenomen was. Aan de andere kant bleken de korporaals bezig de minderen het leven zuur te maken. Het Anker riep hen op daarmee te stoppen. De mindere schepelingen kregen het advies om 'pal te staan en hun plicht te doen.
Het volgens de sociaal-democraten matig functionerende straf- en tuchtrecht openbaarde zich vooral bij de miliciens van landmacht en marine. Dit leidde tot discussies binnen de sociaal-democratie. De SDAP-afdeling Amsterdam bracht voor het Paascongres van de SDAP in 1917 een motie in om de herziening van het militair straf- en tuchtrecht in de Kamer te bespreken. Naar aanleiding hiervan schreef Andries Michels een artikel voor de Socialistische Gids. Volgens hem kon de partij niet onverschillig zijn over hoe de soldaten werden behandeld, berecht en bestraft.
Vanuit de opvattingen van het volksleger kon de SDAP natuurlijk niet akkoord gaan met één van de uitgangspunten van het militaire straf- en tuchtrecht, namelijk dat leger en vloot eigenlijk een aparte maatschappij vormden, een soort kaste :
Maar wanneer het geheele volk dient, het leger dus is een volksleger, waarbij de plicht om het land te verdedigen, dus als militair dienen, niemand ontgaat, is 'dienen' een gewone maatschappelijke plicht geworden, welks schending een misdrijf oplevert, dat best berecht kan worden door den gewonen rechter.
Geheel of gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :