woensdag 14 maart 2012

Rode Matrozen 003

RODE MATROZEN OP DE VLOOT
Organisatiegraad van de bonden
Het marinepersoneel in Nederland en Indië bestond voor de mobilisatie in juli 1914 uit ruim 10.000 man. Daarvan behoorden 347 tot de Koninklijke Marine Reserve (KMR) en 2212 tot de zeemilitie. In de loop van de oorlogstijd zou het totale aantal marinemensen groeien tot bijna 15.000 man in 1918.
Pas in juli 1917 geeft het Jaarboek van de Koninklijke Marine overzichten van het personeelsbestand. De cijfers zijn steeds vastgesteld op 1 juli. De (onderofficieren en manschappen van de 1894 opgerichte KMR waren voormalige beroepsmilitairen voor wie de verplichting bestond om in tijd vann oorlog op te komen. De reserveofficieren waren hoofdzakelijk van de koopvaardijvloot afkomstig.
De dienstplichtigen bij de marine verkeerden in een bijzondere positie. De miliciens werden onder meer ingezet bij de kustwacht, als matroos, stoker, ziekenverzorger en als kok. Goedgekeurde dienstplichtigen met een band met de zeevaart kwamen vanzelfsprekend terecht bij de marine. Na hun diensttijd van 8,5 maand gingen ze na 1913 meteen over naar de landstorm. Een zeemilicien ging nooit over naar de landweer.
Aan het begin van de mobilisatie werd het Kort Dienstverband (KD)) geïntroduceerd. Met deze nieuwe categorie vrijwilligers wilde de marine het tekort aan personeel aanvullen. Zeer veel marinemannen waren lid van een vakbond of personeelsvereniging. Onder de minderen was de onder sociaal-democratische invloed staande B.V.M.M.P populair. Dat was op zich bijzonder, daar het beroepsmilitairen betrof, terwijl de SDAP het hier niet zo op voorzien had.
Er zijn een aantal verklaringen voor dit verschijnsel. Het waren in eerste instantie de ellendige omstandigheden (onder andere het langdurig van huis weg zijn) waaronder het lagere beroepspersoneel bij de marine moest werken, die er voor zorgden dat deze 'economische dienstplichtigen' in de armen van de sociaal-democratie gedreven werden. Een aanvullende verklaring kan gevonden worden in de grotere gevoeligheid voor het internationalisme van de matrozen (ze troffen elkaar in de verschillende havenplaatsen) en daarmee het doorgeven van strijdervaringen. Wellicht speelde ook het bijzondere karakter van de marine een rol. In tegenstelling tot de landmacht, die veel meer op van bovenaf opgelegde massa discipline gebaseerd was, moesten de matrozen als een hecht collectief hun schip in de vaart houden.
Zeeofficier S.P.'Honoré Naber zocht de verklaring voor wat hij noemde 'de slechte geest onder het mindere marinepersoneel' in de evolutie van scheepsbouw (het verdwijnen van het zeilschip) en nieuwe ontwikkelingen in de wapentechniek (artillerie). Gecombineerd met de toename van de scholingsgraad van de schepelingen hadden die een situatie gecreëerd, waarin het onmogelijk was om aan de meeste matrozen voldoende werk te verschaffen dat zij als nuttig en zinvol ervoeren.
Na aanvankelijk vooral uit de allerarmsten gerekruteerd te hebben, ging de marineleiding na de eeuwwisseling over tot werving uit de kring van geschoolde werklieden, kleine winkeliers en lagere ambtenarij. De betere scholing van deze nieuwe laag en het voorbeeld van de zich ontwikkelende vakbeweging in de burgermaatschappij droegen bij aan het ontstaan van matrozenbonden
Geheel of Gedeeltelijk overgenomen uit het boek/proefschrift Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ’14-‘18’ Van de Hr Dr. R.L.Blom (uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2004)

Geen opmerkingen :