zaterdag 12 november 2011

Roeisloepen 6

Uit het Handboek Zeemiliciens van 1917.
Reglement op de commando's voor het roeien en het pagaaien met sloepen :
w. c. Riemen
u. c.
Op !"
Op het w. c. draaien de roeiers (behalve de beide voorsten) het bovenlichaam naar de buitenzijde der sloep en vatten hun riem met beide handen aan, de binnenhand het meest aan het binneneinde; de achterste roeier den buitensten riem, de volgende den tweeden, enz. Zij lichten de riemen op, leggen deze zooveel mogelijk langsscheeps op het dolboord, de bladen horizontaal en waaiervormig gericht, den riem met beide handen vasthoudende, de buitenhand in den ondergreep, de binnenhand in den bovengreep, het oog gericht op het blad van zijn riem.
Op het u. c. worden de riemen zoo vlug mogelijk opgezet, de bladen langsscheeps, de binneneinden rustende op het vlak van de sloep tusschen de knieen, allen in een lijn gericht op de riemen der achterste roeiers. De buitenhand komt nu ter hoogte van de kin, de binnenhand zooveel lager, dat de arm op het dijbeen rust.
Is het gebruik van den achterhaak noodig, dan neemt voor dit commando de onderofficier van de sloep den haak tijdelijk van den achtersten roeier over. Deze zet zijn riem op, gelijk met de andere roeiers, en geeft hem daarna aan zijn nevenman over, om den achterhaak weer in handen te nemen.
De andere achterste roeier neemt den riem met de binnenhand over en vat dezen op gelijke hoogte als hij zijn eigen riem vast heeft.
Moet een der in het Reglement op de eerbewijzen en saluten genoemde autoriteiten, waarvoor alle zich in de sloep bevindende personen behooren op te staan, worden overgevoerd, dan geschiedt het opstaan der roeiers op het commando :
w. c. „Geeft
u. c.
acht !"
Op het w. c. verpakken de bakboordroeiers hunne handen, elkeen laat de rechterhand los behalve de achterste roeier in het geval hij twee riemen in handen heeft.
Op het u. c. staan alle roeiers op en doen den groet, de riemen voor het midden van het lichaam, komende nu de linkerhand ongeveer voor het midden van de borst.
De roeier, belast met den voorhaak, blijft de sloep in de verlangde positie houden; de andere voorste roeier neemt voor zijne zitplaats de staande houding aan en groet.
Indien de achterste roeier den achterhaak in handen heeft, blijft hij hiermede de sloep in de verlangde positie houden; de andere achterste roeier gaat tusschen de beide riemen in de midscheeps staan en doet uit den aard den groet niet.

Geen opmerkingen :